Augustinus

Augustinus werd in 354 geboren in Thagaste (thans Souk-Ahras in Algerije). Hij had een christelijke moeder (Monica) en een heidense vader (Patricius), die zich vlak voor zijn dood liet dopen. Hoewel door zijn moeder christelijk opgevoed, werd Augustinus naar de gewoonte van die tijd nog niet gedoopt. Alleen volwassenen werden gedoopt, na voorafgaand onderricht.
Augustinus was een kind als alle andere. Hij kon goed leren, maar had een hekel aan de lagere school, omdat hij slaag kreeg van de meester. Op de middelbare school leerde hij de grote klassieke schrijvers kennen, met name Vergilius, waar hij van genoot. Later wisten zijn ouders de geldmiddelen bij elkaar te krijgen om hem in Carthago te laten studeren. Hij volgde er onderwijs in de zeven “vrije kunsten” (wat wij tegenwoordig wetenschappen noemen: onder andere grammatica, rekenkunde, meetkunde, sterrenkunde), waarvan de retorica, de kunst der welsprekendheid de belangrijkste was. In deze havenstad ging het er bruisend en weinig puriteins aan toe en uit de latere Belijdenissen wordt duidelijk dat Augustinus de bloemetjes er flink heeft buiten gezet. Al jong was hij ongehuwd vader (zo rond zijn 17e jaar).

Op zoek naar wijsheid
Een eerste omkeer in zijn leven vindt plaats als hij van Cicero diens “Hortensius” in handen krijgt (een werk van Cicero dat niet meer bekend is, behalve uit citaten van Augustinus). Voor Augustinus betekent dit boek een aansporing om de wijsheid te zoeken. Zelf zegt hij dat de liefde tot de wijsheid met ongekende hevigheid in hem ontbrandde. Het bracht hem ook dichter bij geloof en kerk, zij het op afstand. We moeten bedenken dat in Augustinus’ dagen het christendom gold als de hoogste wijsheid. Daarom kon zo’n boek van Cicero, waarin werd aangespoord om de wijsheid te zoeken, heel goed als brug naar het geloof functioneren. De bijbel stelde Augustinus echter in die tijd teleur. Hij vond die te weinig geestelijk, te vol met aardse, onzedelijke verhalen. Zo kwam het dat Augustinus zich aansloot bij de manicheeën, een soort “schijnkerk”. Zijn moeder had daar bitter verdriet van en ontzegde hem zelfs de toegang tot het ouderlijk huis. Weldra – na zijn studie – wordt hij leraar in de retorica in Carthago.
In heel deze bewogen levensgang is Augustinus blijven zoeken naar waarheid, naar wijsheid, naar God, maar hij vond hem niet. Later duikt hij op als leraar retorica in Rome. Fresco: Augustinus de leraar, tijdens zijn korte verblijf in Rome – en als hij zijn positie kan verbeteren, vertrekt hij naar Milaan, waar hij in de buurt van het hof een belangrijke baan krijgt als docent retorica met goede perspectieven voor zijn carrière.

Nieuw inzicht
Maar de onrust en onvrede in zijn leven nemen almaar toe. Daar in Milaan kerkt hij weer in de katholieke kerk, waar hij bisschop Ambrosius hoort preken een daardoor geboeid raakt. Zijn verblijf bij de manicheeën bevredigde Augustinus al lang niet meer, maar hij wanhoopte inmiddels aan de mogelijkheid om de waarheid te kunnen vinden. Daarom bleef hij rondhangen bij de manicheeën en werd hij scepticus (een mens kan nooit de waarheid vinden in dit leven). In de Belijdenissen beschrijft Augustinus deze periode als een getrokken worden door God, terwijl hij tegenstribbelde en worstelde met alle mogelijke vragen. De vraag naar de oorsprong en de aard van het kwaad in deze wereld heeft hem ontzaglijk lang en intens beziggehouden, zonder dat hij eruit kwam. Een tweede omkeer in zijn leven vond plaats toen Augustinus in aanraking kwam met neoplatoonse geschriften die hem bevrijdden van zijn materialistisch godsbeeld en hem lieten zien dat God Geest is en geen materie (zelfs geen “fijnstoffelijke” materie, tegenover de gewone, “grofstoffelijke”, materie).

Ommekeer
Uiteindelijk komt Augustinus zover, dat ook de bekering van zijn wil volgt; in een tuin in Milaan, waar hij de beroemde woorden hoort – in een naburige tuin – “tolle, lege” (neem en lees) en Augustinus de bijbel neemt en openslaat en daar de – voor hem – beslissende woorden leest van Paulus uit Romeinen 13:13. Op dat moment weet hij te breken met zijn leven tot dan toe. Hij zegt zijn baan als retor op, zet een punt achter zijn trouwplannen en besluit met een aantal vrienden en familieleden, onder wie Monica en zijn zoon Adeodatus, om samen een leven van afzondering, gebed, contemplatie en onthouding te gaan leiden.

In het voorjaar van 387, in de paasnacht, ontvangt Augustinus samen met zijn zoon de doop uit handen van Ambrosius, de geliefde bisschop. Op de fresco zien we hoe Augustinus gedoopt wordt door Ambrosius (de tekst achter zijn hoofd is de beroemde middeleeuwse hymne, “Te Deum”, die volgens de legende door Augustinus en Ambrosius werd geschreven en net op dit moment door hen samen zou zijn bedacht). Niet lang daarna besluiten Augustinus en zijn vrienden en familieleden om terug te keren naar Afrika. In afwachting van de boot aan de Tibermond te Ostia sterft Monica en zij wordt daar ook begraven.

Een ander leven
In Afrika terug begint Augustinus met vrienden en familieleden in zijn ouderlijk huis in Thagaste een gemeenschappelijk leven te leiden naar voorbeeld van de eerste christenen van Jeruzalem. Zij hielden zich bezig met bestudering van de Schrift en de beoefening van de wijsbegeerte, steeds op zoek naar de diepere zin van het leven. Voor deze gemeenschap schreef hij een leefregel, die tot op de van vandaag als Regel van Augustinus door tal van religieuze gemeenschappen wordt gevolgd. Typerend voor deze Regel is, dat Augustinus het religieuze leven ziet als een gemeenschap van vrienden, die samen naar God zoeken:

“… praten en lachen, elkaar een vriendendienst bewijzen, samen boeken lezen, gemakkelijk overstappen van een lichte conversatie naar een gesprek over de diepere dingen van het leven; verschil van opvatting zonder rancune, zoals iemand voor zichzelf verschillende opvattingen hebben kan, en wanneer bij een uiterst zeldzame gelegenheid tegenstellingen ontstonden tot overeenstemming komen; elkaar iets leren; ongeduldig de thuiskomst van de afwezige afwachten en hem met vreugde welkom heten bij zijn thuiskomst; al deze tekenen van affectie, getoond door een woord, een gebaar, een oogopslag en op zoveel andere wijzen ontstaken een licht in ons binnenste en maakten ons één hoewel we met velen waren.”

Mens voor de mensen
Het beschouwelijk leven in Afrika zal niet lang duren. Als hij eens in de kerk in Hippo (het tegenwoordige Annaba (Bône) in Algerije) op zondag een kerkdienst bijwoont, eist de gemeente dat men Augustinus tot priester zal benoemen en hoezeer hij zich ook onder tranen verzet, hij komt er niet onderuit. Voortaan zal hij als presbyter (priester) verbonden zijn aan het bisdom Hippo Regius en er weldra (in 395) bisschop Valerius opvolgen na diens dood. De rest van zijn leven (tot 430) is Agustinus bisschop van Hippo gebleven; een veeleisende en uitputtende taak, waar hij soms bijna onderdoor ging. Toch wist Augustinus zich geroepen tot dit ambt door zijn Heer, al was hij in wezen een mysticus. Ook als priester en bisschop leefde hij als monnik in een gemeenschap.
Voor zijn parochianen en ook voor de kerk van Noord-Afrika heeft hij zich volledig ingezet. Hij hield meestal zo weinig tijd over, dat hij zich ’s nachts aan het schrijven van zijn boeken wijdde. Augustinus heeft een indrukwekkend aantal boeken en verhandelingen nagelaten, alsmede honderden brieven en preken. Deze werden door hoorders opgetekend, want Augustinus preekte uit het hoofd. Zijn geschriften hebben de theologie en wijsbegeerte, maar vooral het geestelijk leven enorm beïnvloed.
Augustinus stierf op 28 augustus 430 in zijn bisschopsstad Hippo.
(naar J.J. van Zoelen)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *