Een nieuwe scheut uit oude wortels

Matteüs 3, 1-12 (Jesaja 11, 1-10) 2e advent

Als je een keerpunt in je leven viert, als je een kroonjaar bereikt hebt, als je gaat trouwen, of als je een belangrijk jubileum te vieren hebt, dan is het een goed gebruik dat je uitgebreid stilstaat bij het verleden. Je kijkt vol dankbaarheid terug op je leven tot hiertoe, of het jonge bruidspaar gaat even langs de graven van hun voorouders, of er wordt teruggekeken op wat je allemaal gedaan en bereikt hebt. En vervolgens kijk je ook nog heel kort naar de toekomst: de mensen wensen je nog vele goede jaren of heel veel geluk en zegen voor de toekomst, of geniet lekker van je welverdiend pensioen.

In ons geloof doen we dat net andersom. We beginnen het kerkelijk jaar ermee dat we uitgebreid stilstaan bij de toekomst. Het eerste en belangrijkste feest van het christendom is de geboorte van Jezus, een nieuw begin. En dat beginnen we met de adventstijd waarin we een en al vooruitkijken. We staan niet stil bij glorieuze lichtmomenten uit het verleden, maar we steken de kaarsjes aan van het toekomstige licht. We kijken niet terug op verdiensten en resultaten uit het verleden, maar we beginnen met een visioen; met een pasgeboren kind dat nog geen verleden heeft, maar louter toekomst. Het christendom is een geloof van toekomst.

In onze eerste lezing roept Jesaja dat al het oude afgedaan zal hebben. Er komt een níeuwe telg op, een nieuwe scheut. Al het oude, zoals oordelen naar de uiterlijke schijn, het luisteren naar oude geruchten, zal voorbij zijn. Ook de oude verhoudingen en vastgeroeste patronen zullen verbroken worden: de vijandschap tussen wolf en lam, kalf en leeuw, bijvoorbeeld. En ook de oude angsten en bedreigingen worden uitgewist: ‘bij het hol van een adder speelt een zuigeling’.

‘Addergebroed!’ roept Johannes de Doper dan ook tegen de Farizeeën. Want de Farizeeën zijn niet van de toekomst, zij laten zich juist voorstaan op het verleden. Wij zijn de hoeders van de traditie. Wij hebben Abraham als vader. — In die traditie staan wij natuurlijk ook. Gelovig gezien stammen ook wij allemaal af van aartsvader Abraham, die van God de belofte heeft gekregen dat zijn nakomelingen het volk van God zullen vormen, en dat wij als volk Gods onderweg zullen zijn door de geschiedenis. — In die traditie staan wij weliswaar ook, maar wat Johannes de Farizeeën verwijt, is dat zij daarmee genoegen nemen. Dat zij op de lauweren van het verleden rusten, dat zij geen nieuwe scheuten vormen, maar als dor hout steeds meer verstarren. ‘De bijl ligt al aan de wortel’ zegt Johannes dan ook, die oude bomen die geen vruchten meer brengen worden omgehakt en verbrand.

De Farizeeën, dat zijn de mensen die roepen ‘we’ll make America great again.’, die terugverlangen naar een verleden wat in de herinnering grootser is dan het in werkelijkheid was. Het zijn de Fidel Castro’s die weliswaar het nieuwe willen, maar die koste wat kost daaraan blijven vasthouden ook al is overduidelijk dat ook het nieuwe telkens weer vernieuwd moet worden. Het zijn degenen die roepen vroeger was alles beter, en het is toch goed zo.

En Johannes fulmineert verder: ‘Ik doop jullie met water’, dat is weliswaar een nieuw begin, maar tegelijkertijd is het ook alleen maar het water van de oude traditie. ‘Hij zal jullie dopen met de heilige Geest’ voor een écht nieuw begin. ‘Hij houdt de wan in zijn hand’, hij zal het graan van het kaf scheiden. Hij zal zijn dorsvloer reinigen van het oude stro.

Ons geloof is een geloof van nieuw begin, een geloof van toekomst. Maar ondertussen zitten we wel met wat het verleden met ons gedaan heeft. Veel wat vol goede moed als een jonge scheut uit onze handen is gekomen is inmiddels oud hout geworden. Het vroeger nog zo frisse en klaterende water kabbelt maar een beetje voort. Hoeveel grootse dromen vol vuur en geest zijn intussen niet verwaterd. En het nieuwe graan dat er groeit komt niet terecht, omdat we het kaf van het verleden maar niet zo goed van ons af kunnen schudden.

Johannes de Doper heeft makkelijk roepen. We zijn geen onbeschreven blad zoals het nieuwgeboren kindje in de kribbe. We zijn geen nieuwe scheut, onze stam is nou eenmaal gevormd door het verleden. Scheefgegroeid door stormen, in de bast zijn de sporen van de oude kwetsuren duidelijk te zien, en de oude ideeën hebben zich verstevigd. — Dat herken ik, zegt Johannes, daar heb ik ook last van, ‘ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen.’ Maar laten we die oude boom toch weer nieuwe vruchten voortbrengen. Laten we niet neerzitten bij de pakken van het verleden, maar laten we kijken wat voor nieuwe telg uit die oude stronk kan opschieten. Laten we niet terugverlangen naar het verleden dat toch nooit zo goed was als het nu in onze herinnering lijkt, maar laten we verlangen naar de nieuwe scheut die uit die oude wortels voortkomt.

Ons geloof is een geloof van toekomst. Vandaag brandt al het tweede lichtje op onze adventskrans. Het nieuwe licht groeit als een nieuwe scheut. Op het oude stro in de kribbe ligt het nieuwgeboren kindje.

Ekkehard Muth, 4 december 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *