Geen aureool, maar horens

Beeld Mozes met de wetstafels op de Civiele Griffie, BurgJohannes 6, 60 – 69/ Jozua 24, 1-2a; 13-17; 18b

Zoals u misschien weet, begon ik mijn loopbaan in een klein wijndorpje in Duitsland. Daar woonde ik in een een pastorie uit 1628 en pal naast de pastorie stond de kerk die in dezelfde tijd gebouwd was. Er zat niet veel opsmuk in dat barokke kerkje behalve dan de houten preekstoel. De sokkel van de preekstoel bestond namelijk uit een gesneden beeld van Mozes. — Nu ben je gewend dat de figuren die je in een kerk aantreft allemaal een aureool hebben, maar Mozes heeft dat niet, integendeel. Mozes wordt altijd afgebeeld met twee horens, als een duivel.

Dan heeft Mozes de stoute schoenen aangetrokken en is naar de farao gegaan om zijn volk vrij te pleiten, hij heeft de Israëlieten door de Rode Zee naar de vrijheid geleid, en hij is met zijn volk veertig jaar door de woestijn getrokken op weg naar het beloofde land. Zonder Mozes zaten we vandaag niet hier. Maar dan nog krijgt hij geen aureool, maar horens. De verklaring hiervoor heeft mij nog nooit bevredigd. Hij wordt met horens afgebeeld omdat hij in al die jaren weleens getwijfeld heeft. Toen de Israëlieten terug wilden naar de vleespotten van Egypte, toen trok hij het even niet meer, en toen moest God ingrijpen door ‘s nachts manna te laten neerdalen. En toen hij met de stenen tafels met de tien geboden terugkwam en zag dat zijn volk ondertussen een gouden kalf had gemaakt, toen gooide hij de tafels in heilige woede stuk en moest hij terug naar God om de tafels opnieuw te hakken.
Dat zijn ook de redenen waarom hij na al die jaren het beloofde land niet mag intrekken. Jozua neemt het van hem over. En Mozes sterft terwijl hij de Israëlieten achter Jozua aan het land in ziet trekken. — Ik vind dat Mozes een beetje hard wordt afgerekend, maar aan de andere kant kan je beter bij het preken op de schouders van Mozes staan, met zijn horens, dan dat je preek per ongeluk met een aureool omgeven wordt.

Het is die relativering die we in onze beide lezingen tegenkomen: in onze eerste lezing zegt God: “Ik heb jullie een land gegeven waarvoor jullie niets hebben hoeven doen.” En in het Johannesevangelie zegt Jezus: “Iemand kan alleen bij mij komen als het hem door de Vader gegeven is.” Geen aureool maar horens. Maar als je dat maar in je oren geknoopt hebt, als je bij wijze van spreken de horens voelt en niet de aureool, dan kan je wel degelijk een gids zijn door de woestijn, en kan je wel degelijk woorden van leven spreken.
Simon Petrus antwoordt: “Naar wie zouden we moeten gaan, Heer? U spreekt woorden die eeuwig leven geven.” De boodschap die zich als een rode draad door het hele Johannesevangelie trekt is: Alles waarvan we tot nu toe dachten dat het alleen in de hemel kon gebeuren, gebeurt nu al in het hier en nu. Het Woord is vlees geworden, God is mens geworden in Jezus, het goddelijke gebeurt nu en wordt zichtbaar op aarde. Augustinus heeft het later zo gezegd: God licht op in mensen.

Voor veel van de mensen die met Jezus optrokken is dat blijkbaar net een brug te ver. Zij willen God gewoon in de hemel laten en hebben hem liever niet zo dichtbij. In de hemel de aureool en hier op aarde de horens. Maar de twaalf leerlingen die overblijven durven het wel aan. Ook al heb je horens op je hoofd, toch licht God in jou op, en toch spreekt hij door jou woorden die leven geven.

Maar weer terug naar Jozua. Jozua is dus de opvolger van Mozes en hij heeft het Volk naar het beloofde land gebracht. Nu, jaren later, voelt Jozua zijn einde naderen en hij trommelt het hele volk op voor zijn afscheidsrede. Ze zijn in Sichem, een plaats met een eeuwenoude historie. En Jozua loopt de hele geschiedenis na. Lang vóór Mozes met het volk uit Egypte wegging, was het hier in Sichem dat God aan Abraham beloofde: “Ik zal dit land aan jouw nakomelingen geven.” In de tijd van Abraham leefden de stammen van Israël nog als landloze nomaden. Daarna kwam de slavernij in Egypte, en na een moeizame tocht van veertig jaar door de woestijn werd de belofte waar. Zij kwamen eindelijk thuis.

Maar, zegt Jozua, en dat is zijn testament, zoals God niet te vinden was in de vleespotten van Egypte, zo is hij ook niet te vinden in de melk en honing, in de wijn en olijven van dit beloofde land. En zoals hij niet te vinden was in het gouden kalf, zo is hij ook niet te vinden in het geld en goud van de steden en van de economie die jullie hier opbouwen. Gedenk dat God vooral een god is die al die eeuwen met jou meegetrokken is. Hoed je dan ook voor het idee dat je God een dienst bewijst door dit land met nederzettingen en een muur eromheen te verdedigen. Hoed je voor het idee dat je, nu je eenmaal thuis bent, ook God moet vastzetten in tempels, regels en wetten. Ook hier in dit land blijft God een god die in beweging blijft, die met jou meetrekt. Hij heeft jullie dit land weliswaar beloofd, maar het wordt pas dan een beloofd land als jij woorden spreekt die leven geven, als jij een stad, een thuis wordt voor de ander, als jullie wijn en olijfolie, melk en honing worden voor elkaar.

En op de schouders van Mozes eindigt Jozua: gedenk de horens op je hoofd, maar stel je ervoor open dat ze af en toe soms heel even kunnen uitgroeien tot een aureool.

Ekkehard Muth, 23-08-2015

Achtergrondinformatie over de horens van Mozes:
Uit: Luc Verhuyck, SPQR Anekdotische reisgids voor Rome (Amsterdam 2013) pagina 177

220px-Michelangelo_Mose_2007

(betr. de Mozes van Michelangelo in de San Pietro in vincoli)

Mozes wordt hier uitgebeeld nadat hij kort tevoren op de berg Sinaï de stenen tafelen met de tien geboden heeft gekregen. Hij is vertoornd door de afgoderij van de joden die rond het gouden kalf dansen en zit gereed om op te veren en zijn stenen tafelen stuk te gooien. In een andere interpretatie kijkt hij vanaf de berg Sinaï vol ontzag naar het goddelijk licht.
Dat Mozes horentjes draagt vindt zijn oorsprong in een foute schriftlezing door Aquila Ponticus die in de tweede eeuw de thora voor het eerst in het Grieks vertaalde. In de Hebreeuwse tekst van de betreffende bijbelpassage (Exodus 34:29-35) stond het woord ‘karan’ (lichtstraal), maar Ponticus las dit als ‘keren’ (horen). De kerkvader Hiëronymus, wiens Latijnse vertaling van de Heilige Schrift, de zogenaamde Vulgata, onder paus Paulus III bij het Concilie van Trente in 1546 algemeen als basistekst werd aangenomen, had die Griekse vertaling als uitgangspunt gekozen. Het misverstand werd nog versterkt doordat het in de oude manuscripten gebruikelijk was om, met het oog op de indeling in kolommen, letters te syncoperen en die weglating aan te geven met een bovenliggend streepje, waardoor in plaats van ‘coronatus’ (gekroond) ‘cornutus’ (gehoornd) werd gelezen. Dat is meteen de reden waarom Mozes wel vaker met horentjes wordt afgebeeld, al bestaat ook de opvatting dat het de aanzetten zijn van een stralenkrans.

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Response to Geen aureool, maar horens

  1. Theo Thier schreef:

    Tijdens het beluisteren van je overweging, Ekkehard, dacht ik: “Mozes heeft toch geen hórens; dat zijn toch líchtstralen.” Gelukkig lees ik in de ‘achtergrondinformatie’, dat ik er toch niet helemaal naast zat. De ‘horentjes’ die je te berde brengt, vind ik trouwens wel terzake en goed gevonden.

    Dat veel mensen uit de tijd van Jezus, God maar liever in de hemel wilden laten, en Hem liever niet zo dichtbij wilden hebben (4e alinea), geldt vandaag de dag nog evenzeer, geloof ik. Ik ga mezelf maar na.
    God-in-den-hoge maakt het me een stuk makkelijker hier op aarde.
    Wat die God-in-den-hoge betreft, heeft het bestuderen van het boek van Roger Lenaers “Al is er geen God-in-den-hoge” het me niet gemakkelijker gemaakt.
    Ik doe wél manhaftige pogingen te begrijpen dat ik Hem dichterbij moet zoeken.

Geef een reactie