Jeroesjalajiem sjel zahaav / Jeruzalem, stad van vrede

Ik heb iets met liederen. Misschien dat ik daarom in de liturgiegroep officieel de portefeuille ‘liederen’ heb, al is niet helemaal duidelijk wat dat in de praktijk inhoudt. Maar het staat buiten kijf dat wat de liturgie betreft liederen mij in het bijzonder raken, in positieve en soms ook in negatieve zin.

Een tijd terug viel me plotseling op dat de hebreeuwse tekst van Jeroesjalajiem sjel zahaav nogal af leek te wijken van wat we in de Nederlandse vertaling zingen: “Jeroesjalajiem stad van God, wees voor de mensen een veilig huis, Jeroesjalajiem, stad van vrede, breng ons weer thuis.” Omdat dat maar bij mij om aandacht bleef zeuren en mijn (modern) Hebreeuws niet echt goed is, moest het maar via de omweg van een Engelse vertaling die als letterlijk gepresenteerd werd:

De berglucht is helder als wijn, / en de geur van pijnbomen / wordt verspreid door de avondbries, / vol van de klank van klokken
En terwijl bomen en stenen sluimeren, / slaapt, gevangen in haar droom / de stad die eenzaam staat / met in haar hart een muur

Refrein: Jeruzalem, gouden stad, koperen stad, stralende stad, laat mij het klankbord zijn voor al jouw liederen.

De spaarbekkens staan droog, / het marktplein is leeg / en niemand bezoekt de tempelberg / in de oude stad
In de grotten in de bergen / huilt de wind / en niemand daalt via Jericho / de weg af naar de Dode Zee

(refr)

Als ik nu kom om jou te bezingen / en je met kransen te bekronen, / ben ik de minste van de minste van je kinderen / en de laatste dichter
Want jouw naam verschroeit de lippen / als de kus van een Seraf. / Als ik jou vergeet, Jeruzalem, / geheel van goud …

(refr)

Er is ook nog een later toegevoegd vierde couplet:

We zijn teruggekeerd naar de spaarbekkens / naar de markt en het marktplein / de sjofar klinkt op het tempelplein / in de Oude Stad
En in de grotten in de bergen / stralen duizend zonnen. / We dalen weer via Jericho af / naar de Dode Zee (refr)

Dat lijkt volstrekt niet op het Nederlandse kerklied, met zijn stad voor vriend en vreemde, huis om in te wonen, tafel om te eten en wereld zonder grenzen. Wat is dit eigenlijk voor een lied?

In 1967 werd Naomi Sjemer, een bekende Israëlische dichteres, gevraagd om een lied te schrijven dat buiten mededinging gezongen zou worden op een jaarlijks songfestival, tijdens het tellen van de stemmen. Omdat het festival plaatsvond op Onafhankelijkheidsdag, 15 mei, had Teddy Kollek, de burgemeester van Jeruzalem, gevraagd of de liederen over Jeruzalem konden gaan. Sjemer vroeg zich af of ze dat wel aankon, een lied over zo’n beladen onderwerp als Jeruzalem, maar ging toch akkoord. Het kostte haar de nodige moeite, maar uiteindelijk kwam ze met een eerste versie, de huidige coupletten een en drie. Een vriendin merkte op dat de Oude Stad, waar haar vader nog steeds van droomde, en die sinds de onafhankelijkheid in 1948 ontoegankelijk was geworden voor de Israëli’s, er wel erg bekaaid van af kwam. Daarop voegde Sjemer het tweede couplet toe. Toen dit lied op 15 mei gezongen werd, was het een doorslaand succes. Bij de prijsuitreiking riepen mensen dat ze Jeroesjalajiem sjel zahaav nog een keer wilden horen, wat gebeurde.

In die dagen was de militaire toestand explosief. Op diezelfde dag, 15 mei 1967, sloot Gamal Abdel Nasser, de toenmalige president van Egypte, de Straat van Tiran af voor schepen onder Israëlische vlag, die daardoor de Indische Oceaan niet meer konden bereiken. Ook besloot Nasser dat de VN-vredesmacht, die zich op Egyptisch grondgebied bevond als buffermacht na de Suez-crisis, niet langer kon blijven. Egypte trok troepen samen aan de Israëlisch-Egyptische grens. Nasser riep vervolgens op tot gezamenlijke Arabische actie tegen Israël en Israël bereidde zich voor op een directe confrontatie en mobiliseerde alle reservisten. Politieke onderhandelingen hadden geen concrete resultaten en op 5 juni opende Israël de vijandelijkheden. De Zesdaagse Oorlog was begonnen. Al deze tijd was Jeroesjalajiem sjel zahaav, de onofficiële winnaar van het festival, op de Israëlische radio te horen geweest en ongekend populair geworden, ook bij de soldaten.

In het begin ging de strijd alleen tussen Israël en Egypte, maar Nasser slaagde erin ook Jordanië en Syrië in de strijd te betrekken. Jordanië opende het vuur op het Israëlische deel van Jeruzalem. Israël beantwoordde het vuur, omsingelde de Jordaanse troepen en trok op 7 juni Oost-Jeruzalem binnen. Tanks en pantserwagens waren beplakt met de leus “Jeroesjalajiem sjel zahaav”. Er was een live radioverslag van de inname van Oost-Jeruzalem en de Tempelberg, en toen het bericht kwam dat de stad helemaal in Israëlische handen was, inclusief de Tempelberg, was op de radio te horen hoe soldaten Jeroesjalajiem sjel zahaav zongen. Naomi Sjemer, die naar het Egyptische front was getrokken om de troepen daar moreel te ondersteunen, hoorde dit met tranen in de ogen op de radio. En dwars door de emotie van het moment realiseerde ze zich in een flits: ik moet mijn lied een nieuw einde geven, anders maakt iemand anders het. Die avond zong ze het lied, inclusief het vierde couplet, voor de soldaten aan het Egyptische front.

Wat een verhaal! Maar zijn we nu niet erg ver weggeraakt van “stad van vrede” en “wereld zonder grenzen”? Misschien lag dat toen, in 1967, toch anders. Veel Europeanen en Amerikanen indentificeerden zich in die tijd immers spontaan en enthousiast met Israël. Veel Boskapellers zullen dat herkennen; ook ik heb nog een stuk van dat spontane enthousiasme meegekregen. Een gedeelte van de informatie hierboven komt dan ook uit het kerstnummer 1967 van Reader’s Digest (Het Beste), uit een artikel getiteld The Song That Took a City (Het lied dat een stad veroverde). De verovering van Oost-Jeruzalem was ongetwijfeld voor veel mensen een vreugdevolle achtergrond van het nieuwe Israëlische lied, dat ook elders populair werd. Tot in de jaren tachtig zagen de meeste mensen in het Westen gewoon geen enkel probleem bij de staat Israël, en na de hereniging in 1967 was Jeruzalem voor hen nu echt een stad van vrede en Israël een teken van hoop voor de wereld.

Toch was er vrijwel vanaf het begin ook kritiek op het lied. Amos Oz, nu een bekende en gelauwerde schrijver, toen een 28-jarige soldaat (hij was aan het Egyptische front toen Naomi Sjemer daar ook was), protesteerde tegen de suggestie dat “het marktplein leeg was”. Er woonden toch Arabieren in Oost-Jeruzalem? Hij besefte dat toen hij een paar dagen later door Oost-Jeruzalem liep en hij zich zijn angstdroom als kleine jongen in Jeruzalem herinnerde: dat mannen met pistoolmitrailleurs de straat inkwamen en iedereen doodschoten. Toen hij dan eindelijk door Oost-Jeruzalem liep en de angst en de haat van de mensen zag die daar leefden, besefte hij dat hij zelf nu een man met een pistoolmitrailleur was. Sjemer was het niet eens met de kritiek van Oz en bekritiseerde ook de timing: er klonk geen woord van kritiek toen het lied ineens populair werd (dus voor de oorlog). Maar kan die ‘timing’ niet ook verklaard worden doordat Oz pas in Oost-Jeruzalem, en misschien pas later, terugdenkend aan die ervaring, de ogen opengingen?

Jaren later lichtte Sjemer haar reactie toe. “Amos Oz mag zeggen dat er mensen waren, maar voor mij is een wereld zonder Joden een lege wereld, en het Land Israël zonder Joden is voor mij leeg en verlaten.” Dit antwoord van Sjemer vond van politiek rechts tot politiek links weerklank in Israël en veel Israëliërs denken er ongetwijfeld nog zo over. Het laat zien welke diepe emoties Israël kan oproepen. Maar Sjemer zegt eigenlijk niet veel anders dan wat ze in haar lied zegt. Zowel in het lied als in haar verklaring zijn alleen de Joden nodig voor het leven in het land, voor het uit de slaap wekken van de stad. Het was zo gemakkelijk geweest om nu te zeggen ‘niet compleet’ in plaats van ‘leeg’, om de Palestijnen althans enige plaats te bieden. Maar blijkbaar doet dat geen recht aan Sjemers diepere gevoelens, die ook uitdrukking vonden in haar lied.

Wat zijn die gevoelens van Sjemer, en van vele Israëliërs met haar? Het zijn gevoelens die gevoed zijn door een speciale vorm van Zionisme. Dat lanceerde al in de negentiende eeuw de slogan “Een land zonder volk voor een volk zonder land”. Zionisten die ontdekten dat Palestina in tegenstelling tot deze slogan al bewoond was, reageerden soms geschokt. Het is niet waar dat Palestina leeg was, dat niemand het land wilde, dat de mensen die er woonden geen natie vormden of geen nationale cultuur hadden, of dat ze juist naar het land getrokken waren door de werkgelegenheid die de Zionisten schiepen. Toch zijn dergelijke gedachten nog steeds bijzonder hardnekkig. Zo hardnekkig dat Sjemer er in een later interview zelf haar poëtische beeld van een gouden stad in het gouden namiddaglicht aan opoffert: Jeruzalem was toen het lied geschreven werd nog niet van goud, zei ze bij die gelegenheid; het was een morsige stad. “Stad van goud” was een Joods visioen, zei ze bij die gelegenheid.

Ik heb veel moeite met deze gevoelens en gedachten. Ze maken de Palestijnen en met name de Palestijnse slachtoffers van Zionistisch en Israëlisch handelen onzichtbaar. En juist deze gedachten vormen de basis voor het lied Jeroesjalajiem sjel zahaav. Niet alleen het beeld van het lege marktplein, maar ook dat van de stad die slaapt (in het gouden namiddaglicht, dromend van de kus van haar Joodse prins) leeft van deze gedachte. Door het sussende karakter van deze gedachte die het lied doordringt, kon Jeroesjalajiem sjel zahaav snel populair worden, en werd het het volkslied van de Zesdaagse Oorlog.

Het spreekt voor zich dat een oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict niet eenvoudig zal zijn en dat plompverloren partij kiezen voor Israëli’s of Palestijnen geen oplossing kan bieden. Maar dat betekent ook dat althans voor mij de Hebreeuwse versie van het lied onverteerbaar is geworden. Het Jeruzalem dat daarin bezongen wordt, dat zijn Palestijnse inwoners niet wil zien, is voor mijn gevoel wel heel ver verwijderd van de stad van vrede die we in het Nederlands bezingen. Te ver.

Enkele links:
Website geheel gewijd aan Jerusalem of Gold
Scan van The Song That Took a City
Amos Oz kijkt terug op de inname van Jeruzalem: An Alien City

Karel Peijnenborg

Dit bericht is geplaatst in Discussie, Nieuws. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *