Storm op het meer

Lezing: Matteüs 14, 22-33

Wanneer de schrijver Harry Mulisch aan de oever van het meer van Galilea staat, ziet hij niet Jezus over het water wandelen. Er schiet alleen een waterskiër voorbij. Wat valt me deze opmerking tegen van een literaire schrijver. Als beste schrijver van Nederland – hij is ijdel genoeg om dat zelf te vinden- weet hij toch wel dat er ook uit andere tradities dan de christelijke, verhalen bekend zijn van mensen die de wateren van de zee betreden: Indische magiërs, boeddhistische priesters, hellenistische wonderdoeners…

Gezien de achtergrond van de toenmalige visie op de zee als doodsgebied is het een begrijpelijk teken van goddelijke macht. Het is dan ook een zinloze zaak naar aanleiding van het verhaal over de storm op het meer, dat vandaag centraal staat, over de historiciteit van dit gebeuren, waarin Jezus over het water loopt, te gaan praten. Het is een gebeuren in een existentiële crisis, en wanneer het water tot aan de lippen komt, gelden andere wetten dan die van de theoretische logica. Ik die zin is het voluit een geloofsverhaal.

Dan heeft Herman van Veen het beter begrepen, als hij in zijn lied Suzanne zingt: “Als je blijft geloven, kan de zwaarste steen niet zinken.”

Overweging

Twee decors in scherp contrast naast elkaar:

  • de bergen en de zee,
  • de lucht en het water,
  • het hoge en het lage,
  • de rust en het strijdgevoel,
  • het verhevene en de aardse werkelijkheid;

kortom de dynamiek van elk mensenleven.

Telkens als er een belangrijke gebeurtenis plaats vindt in het leven van Jezus, alsook in tijden van crisis, lees je dat hij zich terugtrekt in de bergen om te bidden en zich te bezinnen om wat hem te doen staat. Na het ‘Messiaans banket’ van vorige week, wilde de enthousiaste menigte hem tot hun koning maken, tot de politieke leider van het verzet tegen de Romeinse bezetter. Die revolutionaire vonken waren zelfs op de leerlingen terechtgekomen. Ja, een messias-rol voor onze rabbi en ieder van ons een glanzende bijrol.

Daarom dwong Jezus hen scheep te gaan, en zorgde hij voor de aftocht van de menigte. Zelf zocht hij de stilte op in de bergen. Stilte die Hij nodig heeft om weer aangeraakt te worden door Gods aanwezigheid. Net zoals je weleens temidden van de drukke stad een stille kerk binnenloopt en daar een weldadige rust voelt, een méér dan al ons drukke gedoe.

Vanuit die intieme band met God houdt Jezus zijn missie zuiver en laat hij zich niet meeslepen door de waan van de dag. En intussen op het water: het woelige leven, de hele nacht door. Augustinus en alle kerkvaders hebben in dat bootje op de golven in de storm, de kerk gezien. Een prachtig beeld. De kerk, geen slagschip dat alles op eigen kracht aan kan, (met kanonnen en allerlei afwerend materiaal), maar een notendop in zwaar weer, aangewezen op een helpende hand.

Vanuit het gebed in de stilte daalt Jezus af naar de zee en loopt over het water naar het scheepje in nood. Een bizar verhaal voor degene die aan de buitenkant van dit gebeuren blijft staan, en niet doordringt tot de diepere betekenis. Want zoals alle wonderen van Jezus is het een teken. De zee is in die tijd de verpersoonlijking van alles wat mensvijandig is. De bewoners van het land lokaliseren in het water van de zee al hun angsten. Alle kwade machten huizen in de zee en in het meer. En de storm op zee was niet alleen een natuurgegeven, maar ook een symbool van de machten die sterker zijn dan de mens en die je naar de diepte willen sleuren. Een zee van angst.

Alleen God is sterker. Hij beheerst de wateren. Hij wandelt over de golven van de zee. Daarvan is Jezus’ lopen over water een teken.

Maar de leerlingen in het bootje, in de kleine kerk die heen en weer wordt geslingerd temidden van de stormen van de tijd, die leerlingen menen een spook te zien en beginnen van angst te schreeuwen. Ze herkennen hun meester niet in de redder, net zoals de kluizenaar (uit de eerste lezing) God niet herkende daar waar Hij hem opzocht.

Jezus komt in de kracht Gods, dwars door de storm naar je toe, maar door angst bevangen dreig je weg te zinken. Vroeg of laat kent elk mensenleven die storm. We hebben niet zelf onze zeeën, ons noodweer, onze moeilijkheden, onze beproevingen te kiezen. En we kiezen niet zelf het moment waarop de storm opsteekt. Het overvalt ons. En dan komt de angst over ons:

  • de angst voor de grote eenzaamheid;
  • de angst voor iemand die je heel onzeker maakt;
  • de angst bij het afkicken van een verslaving, omdat je er volkomen onderdoor dreigt te gaan, en je nergens dreigt uit te komen;
  • de angst omdat je ineens twijfelt aan jezelf: ben ik nog wel de moeite waard?
  • we kunnen ook geconfronteerd worden met bijvoorbeeld de enorme angst van een asielzoeker die niet legaal worden verklaard en tergmoeten naar een land waarvan ze overtuigd zeggen dat er levensgevaar voor hen dreigt als ze teruggaan;
  • en de angst van ouderen die alleen wonen en ooit een keer overvallen en beroofd zijn. Ze hebben van hun huis vaak een vesting gemaakt.

Angsten teveel om op te noemen.

En dan schalt er, midden in de angst, een stem over het water: “Niet bang zijn, ik ben het!” Heel de bijbelse geschiedenis door klinkt die stem, in de nood van Gods’ volk onderweg: “Ik ben er. Vraag niet hoe of wat, maar vertrouw je aan mij toe en geef je aan mij over!”

Petrus doet het! Hij is de identificatiefiguur van de leerlingen; een prototype. Hij vertrouwt op de stem en klimt over de reling om de golven en de branding te weerstaan. Maar wanneer hij de wind voelt, gaat het mis. Zijn geloofsvertrouwen was groot genoeg om hem in beweging te brengen, maar niet om het vol te houden. Geloven is ook niet iets wat je eens en voor altijd bezit.

Het is leven, dus groei. Maar het kent ook dorre perioden, en twijfel: ik red het toch niet. Of je geeft je over aan zelfbeklag. Dat maakt je tot ‘kleingelovige’. Geloven is een relatie aangaan, op weg gaan met Hem die is, en geschiedenis wil maken met jou.

Petrus houdt zijn geloof niet vol in dit verhaal, maar hij heeft een groot voordeel: hij kan bidden! “Heer red mij – Kyrie eleison!” Meteen stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast. Dan herkent hij zijn Rabbi weer.

Hoe ervaren wij de hand die ons toegestoken wordt? Herkennen wij daarin Gods hulp? Soms kan dat gebeuren als iemand je zelfbeklag doorprikt, zoals Prediker dat doet met zijn opmerking: “Ach, wees niet al te graag een gekwelde geest, gekweldheid is het troeteldier van aanstellers.”

Ja, waar ben ik eigenlijk ook mee bezig? Een andere keer helpt het wanneer iemand je angst en verdriet deelt. Warme nabijheid doet vaak meer dan hulp van buitenaf. En soms als je samen getroffen bent is het alleen al een geweldige kracht als mensen zich met elkaar verbinden in het roepen, schreeuwen om redding. Een liturgie kan daar gestalte aan geven, maar ook een protestmars.

Geloven in God en in elkaar is een stap in het ongewisse. We gaan twijfelen. We bidden, roepen, schreeuwen “Kyrie eleison! Red ons Heer!” En we geven ons over aan de hand van God, die ons de ene keer wordt toegestoken door iemand die je de waarheid onder ogen hebt laten zien, de andere keer door een medemens met een warm hart. Door ons, hoe dan ook te verbinden met elkaar, houden we ons staande in de krachtige storm van het water!

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Overwegingen. Bookmark de permalink.

2 Responses to Storm op het meer

  1. arthur schreef:

    Suzanne neemt je mee,
    naar een bank aan het water,
    duizend schepen gaan voorbij
    en toch wordt ’t maar niet later,
    en je weet dat zij te gek is,
    want daarom zit je naast haar
    en ze geeft je pepermuntjes,
    want ze geeft je graag iets tastbaars
    en net als je haar wilt zeggen:
    ‘ik kan jou geen liefde geven’
    komt heel de stad tot leven en hoor
    je meeuwen schreeuwen,
    je hebt steeds van haar gehouden,
    en je wilt wel met haar meegaan,
    samen naar de overkant
    en je moet haar wel vertrouwen,
    want ze houdt al jouw gedachten in haar hand

    MIT DEM UEBERMUT DER MENSCHEN
    DEREN KRAEFTE NIE ERLAHMEN

    en Jezus was een visser,
    die het water zo vertrouwde,
    dat Hij zomaar over zee liep,
    omdat Hij had leren houden
    van de golven en de branding,
    waarin niemand kan verdrinken,
    Hij zei: ‘ Als men blijft geloven,
    kan de zwaarste steen niet zinken’.
    Maar de hemel ging pas open,
    toen Zijn lichaam was gebroken
    en hoe Hij heeft geleden,
    dat weet alleen die Visser aan ’t kruis
    en je wilt wel met Hem meegaan,
    samen naar de overkant
    en je moet Hem wel vertrouwen,
    want Hij houdt al jouw gedachten in Zijn hand.

    Suzanne neemt je mee,
    naar een bank aan het water,
    je onthoudt waar ze naar kijkt,
    als herinnering voor later
    en het zonlicht lijkt wel honing,
    waaraan kinderen zich te goed doen
    en het grasveld ligt bezaaid met wat de
    mensen zoal weg doen,
    in de goot liggen de helden,
    met een glimlach op de lippen
    en de meeuwen in de lucht,
    lijken net verdwaalde stippen,
    als Suzanne je lachend aankijkt
    en je wilt wel met haar meegaan,
    samen naar de overkant
    en je moet haar wel vertrouwen,
    want ze houdt al jouw gedachten in haar hand.

  2. Beheerder schreef:

    Kleine aanvulling: het lied Suzanne is oorspronkelijk geschreven door Leonard Cohen, die er ook de muziek bij schreef. De tekst is vertaald door Rob Chrispijn en in deze versie bekend geworden door Herman van Veen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *