Mijn vader was een zwervende Arameeër

Foto: tjabeljan

Lucas 4, 1-14 Deuteronomium 26, 4-10

In de woestijn word je helemaal terug geworpen op jezelf. Geen afleiding om je heen, maar ook niets wat je voedt, geen water, geen eten, alleen zand en stenen, leegte zover je kunt kijken. In de woestijn moet je het doen met jezelf, met wat je in je bagage bij je hebt aan voorraden, maar vooral met de bagage die je in je hebt. In de woestijn kom je tot wie je ten diepste bent en tot waar je ten diepste voor staat.

“Mijn vader was een zwervende Arameeër…” zo moet de priester in onze eerste lezing bidden als hij de offergaven naar het altaar brengt. En dan gaat het gebed verder met de slavernij in Egypte, en de bevrijding, en hoe het volk Israel na opnieuw 40 jaar door de woestijn te hebben gezworven uiteindelijk aankomt in het beloofde land dat overvloeit van melk en honing.

Je zou kunnen denken dat hier de geschiedenis van het volk Israël verteld wordt, maar dat is het niet. Dit tafelgebed, dat is het hele menselijke bestaan in een notendop:
Die ‘zwervende Arameeër’ dat zijn wij met onze omzwervingen, ons niet weten, onze domheid, wegen die we proberen en die ons toch niet brengen waar wij gehoopt hadden, onze fouten en tekortkomingen.

Egypte, dat is ons Egypte, waar wij gevangen zitten in vastgeroeste patronen, mensen en omstandigheden die ons het leven zuur maken. Maar waar we ook niet uitkomen omdat we stiekem als maar terug willen naar de vleespotten van Egypte.

En dan toch weer de bevrijding. Dat je er toch van loskomt. Dat je toch stappen durft te zetten. Dat er mensen zijn die jou moed geven, en misschien is het ook God zelf die jou vertrouwen geeft. Dat je op weg gaat, ook al leidt die weg je eerst door de woestijn.
En uiteindelijk legt de priester ook de droom op tafel. De droom van een land van melk en honing. Waar je in vrede kunt leven, waar je gezien wordt en waar je kunt zijn wie je ten diepste bent. Waar jij en alle mensen beeld en gelijkenis van God zijn, en waar God midden onder zijn mensen woont.

“Mijn vader was een zwervende Arameeër…”, met deze woorden legt de priester in de oudtestamentische tijd ons hele menselijke bestaan op de offertafel. En waarschijnlijk had Augustinus ook dit tafelgebed uit onze eerste lezing in gedachten toen hij formuleerde dat wij in brood en wijn eigenlijk onszelf op tafel leggen. Ons hele bestaan, zoals we zijn en zoals we zouden willen zijn. Met onze kortzichtigheid en met onze dromen en vergezichten. —

“Geleid door de Geest zwierf Jezus veertig dagen rond in de woestijn.” Zo begint ons evangelie. Daar is die dus weer: onze ‘zwervende Arameeër’. Je zou kunnen denken dat ons evangelie een waar gebeurd verhaal vertelt, maar dat is niet zo. Het vertelt een waarheid die dieper gaat dan wat er gebeurt. Hij gaat ónze woestijn in, met al ons gezwerf, met fatamorgana’s die zich in het niets oplossen, met al die wegen die geen wegen blijken te zijn, over droge en onvruchtbare grond. En hij gaat ónze leegte in. Maar die leegte wordt extra pijnlijk doordat in die leegte juist ruimte ontstaat voor eindeloze vergezichten.

‘Konden we toch maar van stenen brood maken’, is zo’n vergezicht. Als we er toch voor konden zorgen dat iedereen krijgt wat hem toekomt, geen honger meer, geen uitbuiting. Geen vluchtelingen meer op zoek naar welvaart en perspectief. Geen mensen meer die in de rij moeten staan bij de voedselbank. — De mens leeft niet van brood alleen, antwoordt Jezus. Maar waarvan dan wel? In de woestijn word je helemaal terug geworpen op jezelf. In de woestijn kom je tot wie je ten diepste bent en tot waar je ten diepste voor staat. Je leeft van dat we onszelf op tafel leggen, dat we zelf voor elkaar tot brood worden.

Nu neemt de duivel hem mee naar een plek van waaruit hij alle koninkrijken van de wereld kan overzien. ‘Ik geef u de macht over alles’. — Wat zou het toch mooi zijn als we de macht hadden om al onze goede bedoelingen waar te maken. Gerechtigheid en vrede, alle mensen leven lang en gelukkig. Maar Lucas vertelt in een adem door waar dat toe leidt: voor dat je er erg in hebt, ga je voor de duivel door de knieën en bid je hem aan. Nee, het beloofde land druk je niet door met macht. — ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër’ — je bereikt het als je op weg durft te gaan door de woestijn.

En uiteindelijk belanden ze op het hoogste punt van de tempel. “Spring dan naar beneden want ‘zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken. Op hun handen zullen zij u dragen.” — We hebben de duivel uitgevonden omdat we beseffen dat het kwaad groter kan zijn dan alleen onze eigen kwade wil. Het kwaad overstijgt ons, het is bijna als god. Maar hier blijkt dat de duivel van God helemaal niets snapt. Hij wil van God iets materialistisch maken, een poppenspeler die aan de touwtjes trekt en die het allemaal zelf regelt. Als je zo tegen God aankijkt, dan laten ouders hun kinderen niet inenten, omdat God zelf er maar voor moet zorgen dat ze geen mazelen krijgen. Of als je helemaal op het spoor van de duivel meegaat, dan krijg je een kalifaat waar terroristen precies weten wat god wil.

In de woestijn word je helemaal terug geworpen op jezelf. In de woestijn kom je tot wie je ten diepste bent en tot waar je ten diepste voor staat. Dat we voor elkaar brood mogen zijn. Dat we elkaar steunen en op handen dragen. Dat we met elkaar op weg durven gaan, door de woestijn naar het beloofde land.

Ekkehard Muth, 10 maart 2019

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *