Mariahemelvaart

Mariabeeld uit de collectie van Chris Dijkhuis

Lucas 1, 39-56 Hebreeën 11, 1-2; 8-12

Als je in deze week naar Italië afreist, dan is het overal kermis. De week van Mariahemelvaart wordt uitbundig gevierd, allereerst natuurlijk in de kerk, maar vooral is er elke avond op de dorpspleinen muziek en dans, de fanfare speelt, de toneelvereniging treedt op of er komt een deejay. Een hele feestweek, en op 15 augustus, op Mariahemelvaart zelf wordt een groots vuurwerk afgestoken.

Het is een beetje als bij de beide ongeboren kinderen Johannes en Jezus. Zodra de ongeboren Johannes de nog ongeboren Jezus gewaar wordt, begint hij te trappelen.

Nu stond Maria zeker niet te trappelen toen duidelijk werd dat zij zwanger zou worden. Maar toch durft zij het aan, en ze zegt tegen de engel Gabriël: ‘De Heer wil ik dienen: laat mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ of zoals Paulus het in onze eerste lezing zegt: ‘Het geloof overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.’ Maria gaat voor dat geloof, en nu ze bij Elisabeth komt zingt zij het uit. Stel je toch voor: Ik, de minste dienares, ik word de moeder van God. Wie had dat gedacht? ‘Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen.’ ‘Grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan’, en ik, dat kleine meisje, ben daardoor in staat om grote machtige dingen te volbrengen.

En er zullen nog grotere dingen gebeuren: Barmhartigheid zal zegevieren, en niet meer de grote hotemetoten die zich alsmaar zelf op de borst kloppen. De alfa-mannetjes met dertig jaar jongere vrouwen of minnaressen, zij zullen het niet meer voor het zeggen hebben. Hij ‘drijft uiteen wie zich verheven wanen, heersers stoot hij van hun troon.’ We kunnen het allemaal nog niet zien, maar het zal waarheid worden.

‘Wie gering is geeft hij aanzien.’ De mensen die niet de kranten halen, maar die trouw en vol toewijding er voor de ander zijn. Die voor de ander zorgen. Die het met elkaar uithouden ook al maakt de ander het leven nog zo zwaar. Die volhouden, ook al lijkt het net zo uitzichtloos als toen bij Abraham en Sara, die alsmaar geen kinderen konden krijgen.

God had hun beloofd dat zij nakomelingen zouden krijgen als sterren aan de hemel. En dan gaat het niet om het privé-geluk van kinderen krijgen, maar het gaat hier om de belofte dat er toekomst is, en dat God met zijn mensen zal blijven optrekken. En die toekomst van God en zijn mensen, om met onze eerste lezing te spreken: dat er dus waar wordt wat we niet zien, dat is vaak een zware bevalling. Het is door de geschiedenis heen telkens weer een kwestie van een onmogelijke geboorte. Bij Abraham en Sara gebeurt het pas op zo hoge leeftijd dat er geen weldenkend mens meer in geloofd zou hebben.

Elisabeth, bij wie Maria op bezoek is, maakt hetzelfde mee als Sara. Ook zij is al lang over de vruchtbare leeftijd heen. Haar man, Zacharias, die als priester toch juist het geloof moet uitdragen, die gelooft er zelf niet meer in. Hij wordt dan ook met stomheid geslagen. En nu bij Maria, die nog geen man bekend heeft, wordt het opnieuw zo’n wonderlijke geboorte.

Dat God met zijn mensen optrekt de toekomst in, dat lijkt net zo onmogelijk als dat het ons niet lukt om de honger de wereld uit te helpen. ‘Wie honger heeft overlaadt hij met gaven’, zingt Maria. En vervolgens zingt zij verder: ‘maar rijken stuurt hij weg met lege handen.’ Misschien is dat het wel wat de toekomst nog het meeste in de weg staat: dat we bang zijn voor lege handen. Dat we liever houden wat we hebben, dat we alsmaar meer willen pakken en dat we alles in handen willen houden. — Dan kan er niets nieuws gebeuren, dan sterven mensen letterlijk van de honger, en dan sterft ook de toekomst.

Nee, ‘hij trekt zich het lot aan van Israël, zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht.’ Hij blijft met ons op weg, ook al moet hij daarvoor soms wel op onmogelijke manieren geboren worden, ‘tot in eeuwigheid.’

Abraham en Sara hebben het aangedurfd, en daarom worden ze ons in de brief aan de Hebreeën ook als voorbeeld gesteld. Elisabeth en Zacharias hebben het aangedurfd, ook al had Zacharias er geen fiducie in, uiteindelijk zal hij nog het hardste gaan jubelen. En Maria durft het aan. Ze wordt de ‘meest gezegende onder de vrouwen’, de ‘moeder van de Heer.’

Elisabeth brengt het op het punt, ze zegt: ‘Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ En Paulus begint zijn brief aan ons met de woorden: ‘Het geloof overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien.’

Dat we het zelf ook aandurven, dat we blijven geloven ook al kunnen we het niet zien. Misschien zou ons dat beter lukken als we net als de Italianen er een hele feestweek aan konden wijden, maar misschien hebben we ook genoeg aan deze bij ons wat weggemoffelde feestdag van Mariahemelvaart. Mogen we net zo geloven, mogen we net zo moedig zijn als Maria. Mogen we haar kinderen zijn.

Ekkehard Muth, 11 augustus 2019

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *