Jij bent die bode

Matteüs 11, 2-11, Jesaja 35, 1-10 3e advent

Waar staan we nu? Vandaag op zondag ‘Gaudete’, zondag ‘verheugt u’, op de zondag dus op de helft van de adventstijd maken we even pas op de plaats. Waar staan we nu? Welke weg hebben we al afgelegd, en welke weg moeten we nog gaan? En nog belangrijker: het derde lichtje brandt, we kijken ook of we niet aan de horizon al het licht kunnen zien.

Toen Johannes de Doper actief was vroegen veel mensen zich af: is hij misschien wel degene die komen zou? Nee, zei Johannes dan, ‘na mij komt iemand, die meer vermag dan ik, ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen.’ Of liturgisch gezegd: Ik ben slechts de zeg maar ‘zondag gaudete’, ik ben hooguit een matte weerspiegeling van het licht wat nog moet komen. Ik stel alleen maar de vraag: waar staan we nu?

We hebben een lange weg afgelegd, we hebben ons laten voeden door het visioen zoals het ons beloofd is en zoals Jesaja dat ook vandaag weer in onze eerste lezing verwoord heeft. ‘De woestijn zal zich verheugen, de dorre vlakte vrolijk zijn, de wildernis zal jubelen en bloeien.’ ‘De steppe zal bloeien’ zingen we soms.

Daarom leeft Johannes ook in de woestijn. Hij doopt ons om samen met ons uit te kijken naar het licht. Maar in plaats van een bloeiende woestijn is hij nu in de gevangenis beland. Waar staan we nu? ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’

Op onze weg als kerkgemeenschap, op onze weg om aan onze roeping te beantwoorden, hebben we ons opengesteld. We richten onze blik naar buiten of God niet ook daar oplicht waar we tot nu toe alleen maar woestijn kunnen herkennen. En nu vragen we ons misschien af: is dat het nou? – Waar staan we nu? Staan we nu niet een beetje met Johannes in de woestijn en vragen we ons af: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’

In ons evangelie krijgt Johannes twee antwoorden: Het ene antwoord is: kijk om je heen. En omdat Johannes gevangen zit, krijgen de leerlingen de opdracht om te kijken. ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien.’ En vervolgens noemt Jezus zo’n beetje alle wonderen op die hij verricht heeft, maar op een andere manier gebeuren deze wonderen ook steeds weer opnieuw: Blinden kunnen weer zien, in de uitzichtloosheid zien mensen weer perspectief. Verlamden kunnen weer lopen, je kunt elkaar zo in de tang houden dat je geen kant meer op kunt, maar geen situatie zo verlammend, dat er niet ook weer beweging in komt, en dat je weer samen kunt optrekken. Mensen met huidvraat, soms kunnen ze ook lichamelijk weer helemaal genezen, maar altijd wel kunnen we elkaar bevrijden van dat we elkaar het leven onmogelijk maken. Doven kunnen horen, je kan je afsluiten voor wat de ander zegt, maar opeens lukt het ons toch weer om elkaar te horen en te verstaan. Doden worden opgewekt, we leven met het perspectief dat dit hier niet alles is, dat we mogen leven in een veel groter licht. –

Dat is het ene antwoord. Kijk waar de woestijn al begint te bloeien. Kijk hoe God oplicht waar je het niet verwachtte.

Maar Johannes krijgt ook een ander antwoord. En weer spreekt Jezus tot Johannes via de leerlingen: ‘Waar zijn jullie in de woestijn naar gaan kijken?’ Naar wuivend riet, naar een mens in koninklijke kleren? Wat verwacht je? Verwacht je dat die prachtige beelden van een bloeiende woestijn zomaar letterlijk werkelijkheid worden? En kom je nu van een koude kermis thuis omdat je alleen maar Johannes zag in een ruwe mantel van kameelhaar, die tot overvloed van ramp nu ook nog in de gevangenis zit?

Nee, het tweede antwoord wat Johannes krijgt draait de blikrichting helemaal om. Johannes vraagt vanuit de gevangenis: ‘bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ En Jezus antwoordt: jíj bent het. Johannes, jij bent het ‘over wie geschreven staat: “Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.”’ Jij bent die bode.

Je kan dat natuurlijk louter zien als een soort bewijs voor dat Jezus inderdaad degene is die komen zou, want de profeten hebben altijd gezegd dat de messias daaraan te herkennen zal zijn dat er een bode voor hem uitgaat. Maar in de woestijn komt er geen wuivend riet zonder dat er mensen zijn die de weg willen banen. Vandaar dus het tweede antwoord: Johannes, als jij die bode wilt zijn, dan kan ik wel degene zijn die komen zou.

Waar staan we nu? Op de helft van de adventstijd kijken we terug op de weg die we al afgelegd hebben. Ons leven lang, generaties op generaties laten we ons al leiden door het visioen, de steppe zal bloeien. En op de helft kijken we vooruit naar het licht waar we al een glimp van kunnen opvangen. En daartussen in staan we nu. ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ – Jíj bent het; kijk waar de woestijn al begint te bloeien. Kijk hoe God oplicht waar je het niet verwachtte. Ik kan wel degene zijn die komen zou – zolang jij maar die bode wilt zijn.

Laten we voor hem uitgaan en laten we zijn bode zijn.

Ekkehard muth, 15 december 2019

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie