In de veertigdagentijden van je leven

woestijn

Foto: tjabeljan

Lucas 9, 28-36 Genesis 15, 5-12; 17-18

In de veertigdagentijden van je leven, wanneer jouw wegen door de woestijn gaan, dan zie je uit naar het licht. Hoe zou het toch zijn, en zou het niet toch kunnen? Dan is het alsof jouw situatie opeens verandert in licht. Dan is het net als bij Jezus op de berg, dat Petrus, Johannes en Jakobus de kleding en het gezicht van Jezus zien oplichten in een verblindend licht. En je weet: zo zou het moeten zijn, daar verlang ik naar. ‘Laten we drie tenten opslaan’, want hier is het goed toeven.

Misschien ben je ziek, misschien maak je je zorgen over je kinderen, de zorg voor je vrouw of je man gaat boven je krachten, misschien ben je verwikkeld in een slepend conflict, ben je verstrikt in verhoudingen waarin jullie elkaar het leven zuur maken, de aard van het beestje laat je misschien alsmaar weer in dezelfde valkuilen trappen, kwetsuren die je in het verleden hebt opgelopen blijven je leven overschaduwen – je weg is stijl en moeilijk, en je verlangt naar perspectief en vergezichten. Wanneer komt toch het moment om je tent op te slaan, waar je kunt verblijven in het licht.

Petrus, Johannes en Jakobus zien Jezus staan in het licht, en bij Jezus zien zij Mozes en Elia staan. Mozes, die ooit geroepen werd uit het licht van het brandend braambos, en die zijn volk veertig jaar lang geleid heeft door de woestijn naar de vrijheid in het beloofde land. En Elia, de grootste en moedigste van de profeten, maar die daarvoor met de dood bedreigd wordt. Hij vlucht de woestijn in om te sterven, maar daar wordt hij tot drie keer toe wakker en vindt vers brood en een kruik water. Aan het eind van zijn leven sterft hij nog steeds niet, maar wordt hij ten hemel opgenomen. Volgens het geloof zal hij terugkomen om de weg voor de messias te bereiden. — Ons evangelie is een groot mythologisch verhaal: op die berg staan de drie grote brengers van het licht bij elkaar.

En Petrus heeft dat goed door. Petrus, met wie alle pausen tot op de dag van vandaag door een keten van handoplegging lichamelijk verbonden zijn. Petrus ziet de drie bij elkaar staan, en hij beseft dat hem een groot visioen gegeven is van het heil en van het licht waarvoor God zijn mensen bestemd heeft. En Petrus zegt: ‘Meester, het is goed dat we hier zijn, laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia’.

Wat hij daarbij niet bedenkt is dat alle drie niet zomaar gewoon licht brengen. Om licht te brengen moeten ze alle drie eerst door de woestijn. Van die tenten is het dan ook nooit gekomen, maar later zal op zijn graf in Rome eerst een kapelletje gebouwd worden en nog weer later zal dat kapelletje uitgroeien tot de grote Sint Pieter.

In de veertigdagentijden van je leven, wanneer jouw wegen door de woestijn gaan, dan zie je uit naar het licht. Daar wil je je tent opslaan.

Abram in onze eerste lezing ziet ook uit naar het licht. ‘Kijk eens naar de hemel,’ zegt God tegen Abram, ‘en tel de sterren als je dat kunt. Zo zal het ook zijn met je nakomelingen.’ Ook hier een mythisch verhaal. Abram moet van alle dieren die men toen at er eentje slachten. Opengesneden liggen ze voor hem. Het doet wel denken aan de ingewandenschouw in archaïsche heidense natuurgodsdiensten, waar mensen probeerden in de ingewanden de toekomst te lezen. En in een visioen ziet Abram de veertigdagentijd van zijn nakomelingen voor zich, 400 jaar slavernij in Egypte en 40 jaar in de woestijn op weg naar het beloofde land.

En net als toen bij de uittocht waar God overdag in een rookkolom achter Israël aanliep om de Egyptenaren het zicht te ontnemen, en `s nachts in een vuurkolom voorop liep om de weg te verlichten, zo ziet Abram het licht van een rokende fakkel tussen de offerdieren door gaan. Wat er ook gebeurt, de gieren zullen jullie niet te pakken krijgen. ‘Dit land,’ zegt God, ‘geef ik aan jouw nakomelingen, van de rivier van Egypte tot aan de grote rivier, de Eufraat.’ Daar zullen jullie je tenten opslaan.

In de veertigdagentijden van je leven, wanneer jouw wegen door de woestijn gaan, dan zie je uit naar het licht. Als Petrus, Jakobus en Johannes samen met Jezus weer uit dit visioen afdalen naar het gewone leven, vertellen ze aan niemand wat ze hebben gezien. Hoe moet je dat ook onder woorden brengen? In onze beide lezingen lukt het ook alleen maar doordat bijna elk woord beelden oproept, die alle woorden overstijgen. Misschien hoefden ze het ook niet te vertellen, want we weten het ook zo. In de veertigdagentijden van je leven, wanneer jouw wegen door de woestijn gaan, dan zie je uit naar het licht. Hoe zou het toch zijn, en zou het niet toch kunnen? Weet dan dat je bestemd bent voor het licht. Daar zal je je tent opslaan.

Ekkehard Muth, 17 maart 2019

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *