Het is nooit af

Foto: Rasbak – Eigen werk, CC BY-SA 3.0

Lucas 17, 5-10 Habakuk 1, 2-3; 2, 2-4

De leerlingen zijn al een tijdje met Jezus onderweg. In het begin waren ze nog enthousiast, als een spons namen ze elk woord uit zijn mond in zich op, en over wat hij deed raakten ze niet uitgepraat. Maar inmiddels zijn ze op een punt aangeland waar de boodschap van Jezus steeds moeilijker te rijmen valt met de werkelijkheid. Het blijkt toch allemaal moeilijker dan gedacht, er is werk aan de winkel, veel meer werk dan ze ooit verwacht hadden. Het visioen, zoals de profeet Habakuk het noemt, het visioen laat nog even op zich wachten. — ‘Geef ons meer geloof’, verzuchten ze dan. Geef ons iets om beter vol te kunnen houden.

En Jezus geeft hen een dubbele antwoord: Ten eerste, als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje — je weet wel: het mosterdzaadje is het aller, aller kleinste zaadje, maar het groeit uit en overwoekerd alles erom heen — als jullie dus zo’n minuscuul piepklein ‘geloof hadden als een mosterdzaadje, zouden jullie tegen die moerbeiboom zeggen: trek je wortels uit de grond en plant je zelf in zee! en hij zou jullie gehoorzamen.’ Als jullie geloof hadden als een mosterdzaadje dan was dat al meer dan genoeg.

En ten tweede, tegelijkertijd geldt ook: geloof heb je nooit genoeg. Het bestaat gewoon niet dat je achterover kunt leunen en kunt zeggen: mijn geloof is groot genoeg, niets kan mij deren. Nee, geloven betekent altijd dat je je voelt als de knecht die de hele dag geploegd en gewerkt heeft en die ernaar verlangt om ’s avonds moe en voldaan aan te mogen schuiven aan een gedekte tafel. Maar zo werkt het niet. Als je denkt, nu is het genoeg, als die knecht thuis komt, dan begint het pas. Dan moet hij eten klaar maken, hij moet zijn heer bedienen, en pas daarna mag hij zelf eten. En dank hoeft hij ook niet te verwachten, want het werk is nooit af.

Zo is ook geloof nooit af. Het is zelfs zo dat hoe meer je gelooft, hoe meer je van het visioen ziet — hoe meer besef je dat het visioen nog een lange weg te gaan heeft. De leerlingen voelen zich als die knecht. Ze hebben geploegd en gedaan, maar het onderweg zijn met Jezus blijkt alsmaar weer nieuwe opgaven met zich mee te brengen. De leerlingen voelen zich zoals wij ons ook voelen:
— Dan heb je je werk gedaan, of je bent actief geweest met je vrijwilligerswerk, maar je zorgt ook voor je zieke man of je zieke vrouw. En als je thuis komt dan wacht pas het echte werk op jou. Je doet het met liefde, maar soms groeit het je boven het hoofd en dan verzucht je: ‘geef me meer liefde’. Maar dan weer merk je dat ook al is er van de liefde slechts een mosterdzaadje over, dat je toch weer kracht krijgt, meer dan je had verwacht.

Dan word je achtervolgd door wat je in het leven is aangedaan. Je eigenwaarde is gekrompen tot een mosterdzaadje. Maar je gaat aan de slag, je werkt hard om daarin je weg te vinden. En gaandeweg kom je erachter dat het werk misschien wel nooit zal ophouden. Maar tegelijkertijd zie je dat het mosterdzaadje van je eigenwaarde groeit en alle donkere gedachten overwoekert.

Dan proberen we als kerkgemeenschap al meer dan 50 jaar vernieuwende wegen te gaan. We zetten de beknellende kerkelijke regels opzij, we laten een vrijzinnig geluid horen, en vooral: we maken er geen verheven gebeuren van, maar samen met Augustinus zoeken we God dicht bij de mensen. Je zou denken dat je na zoveel jaar een beetje achterover kunt leunen. Maar nee, de tijden vragen weer hele andere antwoorden van ons. Het is alsof we als die knecht thuis komen, maar in plaats van uit te rusten moeten we juist opnieuw beginnen.

‘Geef ons meer geloof’, zouden we het liefst willen vragen, geef ons meer moed, meer vertrouwen, meer verbeeldingskracht, meer… — Dat heb je allemaal al, zegt Jezus, dat piepkleine geloof als een mosterdzaadje is meer dan genoeg, laat het woekeren. Het visioen ‘zal niet uitblijven’ zegt Habakuk. Maar het geloof is nooit af, integendeel, hoe meer geloof je hebt, des te meer woekert je verlangen. Je moed is nooit af; hoe moediger je bent, hoe meer moed heb je nodig om te verblijven waar jouw moed je gebracht heeft. Je vertrouwen is nooit af; je kan nooit een keer genoeg vertrouwd hebben zodat je zou kunnen ophouden met vertrouwen. En je verbeeldingskracht is nooit genoeg, integendeel, zodra je maar een mosterdzaadje van het visioen gezien hebt, zal je verlangen naar het visioen alleen maar groeien.

Het is nooit genoeg, het is nooit af. En toch heb je aan een mosterdzaadje genoeg. Dan kan je tegen de moerbeiboom zeggen: trek je wortels uit de grond en plant je in de zee. Het is een vreemd voorbeeld dat Jezus hier gebruikt. Maar laat dat mosterdzaadje groeien, laat het woekeren. Je zult versteld staan.

Ekkehard Muth, 6 oktober 2019

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *