Zo mag het bij jullie niet gaan

Marcus 10, 35-45 Jesaja 53, 1-11

In ons kamertje hangt deze mooi gekalligrafeerde zin uit de Regel van Augustinus: Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren, maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn. Dat heeft Augustinus allereerst opgeschreven voor de prior. In het klooster mag het niet zijn zoals daarbuiten. Jezus zegt: ‘zo mag het bij jullie niet gaan.’ Er is niets mis met macht, zolang je met je macht maar dienstbaar bent.

Maar wat voor de prior geldt, dat geldt ook voor iedereen, die op welke manier dan ook net iets meer invloed heeft dan de ander. Dat geldt binnen onze gemeenschap, dat geldt binnen de kerk, voor leraren, leidinggevenden, kleine en grote functionarissen in de politiek, de grote bazen in het bedrijfsleven, regeringsleiders en wereldleiders. Zij allen moeten geen misbruik maken van hun macht, maar zij moeten dienstbaar zijn.

— Misschien kreeg het plotselinge vertrek van Alexander Pechtold daarom ook een bijsmaak, niet omdat hij afstand deed van zijn macht, maar omdat hij daarmee ook stopte met dienstbaar zijn. Maar dat even terzijde. —

Van de week zijn we met een klein clubje begonnen om samen vanuit een ander perspectief naar bijbelteksten te kijken. We zijn begonnen bij het scheppingsverhaal; en God zag dat het goed was. Maar hij heeft nog nauwelijks gezien dat het goed was of het kwaad komt al om de hoek kijken. Al in hoofdstuk 3 van de bijbel gaat het mis. Adam en Eva kunnen de verleiding niet weerstaan en eten toch van de boom van de kennis van goed en kwaad. Ze zijn al geschapen als beeld en gelijkenis van God, ze zijn Zijn evenbeeld, en toch is dat niet genoeg: ze kunnen het niet laten om ook nog die allerlaatste grens tussen mens en God te overschrijden. Ze hebben al de macht gekregen over de hele aarde, over alle dieren en over alles wat leeft, maar in plaats van dienstbaar te zijn willen ze nog meer macht.

Op onze kalligrafie zijn de woorden ‘macht’ en ‘dienstbaar’ allebei uitvergroot, ze horen bij elkaar. En als zij geen verbinding met elkaar aangaan dan gaat het mis. Dan krijg je dictators, die hun macht misbruiken, dan krijg je terroristen die willen domineren, dan krijg je pastores, die kinderen misbruiken. En wat te zeggen van ambtenaren die regels boven mensen stellen, of van organen, zelfs in de kerk, die hun gelijk willen halen, ook al gaat dat ten koste van de gemeenschap.

Zo gaat het ook bij Jakobus en Johannes: ’Meester, wanneer u heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van u zitten en de ander links.’ En Jezus antwoordt: ‘Jullie weten niet wat je vraagt. Kunnen jullie de beker drinken die ik moet drinken of de doop ondergaan die ik moet ondergaan?’ Met andere woorden: kunnen jullie net zo dienstbaar zijn als ik dienstbaar moet zijn?

En wat die dienstbaarheid inhoudt, dat wordt in onze eerste lezing bij Jesaja beschreven. Namelijk dat hij de liefde waarmee hij dienstbaar is volhoudt tot in de dood. ‘Hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam’, hij offerde zijn leven ‘om zijn nageslacht te zien en lang te leven’. Ons stukje uit Jesaja is een poëtische en mythische tekst waarin God en zijn dienaar niet heersen en domineren, maar waar zij dienstbaar zijn tot het alleruiterste. Later zullen wij deze dienaar in Jezus herkennen, maar dat wist Jesaja nog niet.

De andere leerlingen worden woedend. Dat is namelijk niet waarvoor ze met Jezus mee gegaan zijn. Als het koninkrijk van God niet meer is dan het veredelde rijk van welke machthebber dan ook, daar is het ons toch niet om te doen? Jullie maken van het koninkrijk niets anders dan wat we nu ook al hebben: ‘jullie weten dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken.’ En net als bij deze heersers, willen Jakobus en Johannes rechts en links van Jezus zitten. Ze willen ook privileges, macht en aanzien.

Misschien is dat ook de reden waarom bij de kruisiging rechts en links van hem twee misdadigers te vinden zijn. Want ‘zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, zal de anderen moeten dienen, en wie van jullie de eerste wil zijn, zal ieders dienaar moeten zijn.’ Augustinus neemt het bijna letterlijk over: ‘Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren, maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn.’

Er is niets mis met macht, maar als de macht niet gebruikt wordt om dienstbaar te zijn, dan blijft het koninkrijk van God ver te zoeken. ‘Zo mag het bij jullie niet gaan.’ Augustinus begint bij zichzelf als overste van het klooster. Laat onze kloostergemeenschap, en laat alle kloosters gemeenschappen zijn waar macht hebben betekent dienstbaar te zijn. Laat alle kerkgemeenschappen dienstbaar zijn, ook onze kerkgemeenschap. En wie weet lukt het om álle leiders ervan te doordringen dat zij dienstbaar moeten zijn. Dan heeft het oude afgedaan, dan is het niet meer: ‘Meester, wanneer u heerst in uw glorie, laat een van ons dan rechts van u zitten en de ander links.’ Nee dan is het: Wie een overheidsfunctie heeft moet zijn geluk niet zoeken in de macht waarmee hij kan domineren, maar in de liefde waarmee hij dienstbaar kan zijn.

Ekkerhard Muth, 21 oktober 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *