Witte donderdag

Johannes 13, 1-15 Witte Donderdag

Het is de avond voor dat Jezus gevangengenomen wordt. Voor een laatste keer zijn ze bij elkaar en ze vieren samen het pesachfeest. Dat is het feest waarmee de laatste avond herdacht wordt voor dat Israël uit Egypte vluchtte. In die nacht hadden de broden geen tijd om te rijzen. Daarom delen Jezus en zijn leerlingen de traditioneel ongerezen broden. En daarom is ook ons brood vanavond plat, en daarom delen we bij elke communie platte broden. Zo vieren Jezus en zijn leerlingen de bevrijding, bevrijding uit de slavernij in Egypte. Ze vieren dat hun voorouders op weg gegaan zijn door veertig jaar woestijn naar het beloofde land. En ze vieren dat ook wíj — door alle woestijnen heen — op weg zijn naar bevrijding en naar het beloofde land.

En die avond krijgen de broden en krijgt de bevrijding er nog een nieuwe dimensie bij, namelijk: Voor die bevrijding en voor onze weg naar het beloofde land is Jezus en daarmee God zelf bereid om te sterven. Niets, maar dan ook niets mag ons nog in de weg staan om het beloofde land te bereiken.

En dat beloofde land, dat koninkrijk van God, je zou denken dat dat voorbehouden is aan bijzonder vrome mensen, aan heiligen misschien, aan mensen die rein zijn; en daarom roept Petrus ook: Heer, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd. Maar zo moeilijk is het allemaal niet. Dat beloofde land, het koninkrijk van God begint al met dat we elkaar de voeten wassen.

Stel je een wereld voor waar we elkaar de voeten wassen. Geen oorlog, geen uitbuiting, geen misbruik van mensen — maar dat we elkaar de voeten wassen, dat we dienstbaar zijn aan elkaar. Zo wordt dit laatste pesachfeest van Jezus met zijn leerlingen een soort testament. Dit is het beloofde land waarvoor Jezus leeft en sterft, die weg moeten jullie gaan naar bevrijding, was elkaar de voeten en proef het beloofde land.

Het wordt een soort testament, want bij zijn geboorte is God mens geworden in Jezus, en nu aan de vooravond voor zijn dood is het alsof wij mensen als God moeten worden. Als je elkaar de voeten wast dan doe je voor elkaar wat Jezus ook doet. Augustinus stelt bij zijn bekering verrast vast: ‘ik zocht u buiten, maar u was in mij.’ Het is geen kwestie van zich verheffen, zoals Petrus dat nog voor ogen heeft, ‘Heer, was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mij hoofd.’ Nee, zegt Jezus, jullie zijn al rein, de voeten zijn voldoende. Als je dicht bij God wilt komen, en als God jou een beetje tot god wil maken, dan hoef je je juist niet te verheffen, maar dan moet je je verlagen. Je moet elkaar de voeten wassen.

En over het brood en de wijn die de leerlingen op deze avond met elkaar delen zegt Augustinus: ‘ontvang wat je bent, en word wat je ontvangt — lichaam en bloed van Christus.’ Het brood van het pesachfeest wordt op deze avond het brood waarmee Christus onszelf tot christus maakt. Naast alle tekortkomingen, zeg ik er maar meteen bij. Maar zó groot is het testament wel. Dat is de erfenis die Jezus ons nalaat. Dat je wordt wie je ten diepste bent. Dat je voor elkaar zo goed bent als God ook zou zijn. Dat je God handen en voeten geeft. Dat je beeld en gelijkenis bent, lichaam en bloed. En dat je, ook al sterf je duizend doden in jouw woestijn, en ook al moet je aan het eind helemaal sterven, dan nóg ben je bestemd om op te staan, dan nóg ben je bestemd voor het beloofde land.

Ekkehard Muth, 29 maart 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *