Wij zijn de tijden

Wij zijn de tijden / Emmaüs Lucas 24, 13-32 Augustinusfeest 2018

Je kent dat wel, dat je hart brandt, maar je weet niet zo goed hoe. Je voelt dat het anders moet, er moet iets gebeuren. Je hebt ook het gevoel dat het al aan het veranderen is, maar je krijgt er geen vinger achter. Je bent net als die twee leerlingen onderweg. Je prakkiseert je suf, je loopt met elkaar te dimdammen, en ondertussen ben je maar op weg, maar je weet niet goed waar naartoe. En toch, ergens voel je een onrust, ergens brandt er iets, ergens zit er een verlangen wat een weg probeert te vinden.

Dan hoor je weleens over een stadsklooster praten, maar zou dat het nou zijn? Er komt opeens een symposium langs met allerlei organisaties waar je nog nooit echt van gehoord hebt. Die zouden ook iets van een brandend hart voelen en net zo op zoek zijn als wij. Of een ontmoetingsdag met alle geloofsgemeenschappen die net als de Boskapel ook zelfstandig een nieuwe manier van kerkzijn proberen te leven. En met allerlei andere monastieke initiatieven, die net als wij, geïnspireerd door de kloostertraditie, een alternatief zoeken voor het bestaande kerkelijk instituut.

Er komen woorden langs die je nog nooit gehoord hebt: ‘spiriscapes’ — landschappen van spiritualiteit buiten de kerk, of ‘laura’ — de oorspronkelijk zelfstandige kloostercellen verspreid in dit landschap, die later met elkaar vergroeiden tot de kloosters zoals we die nu kennen. — Misschien word je er een beetje tureluurs van, moeten we die kant wel opgaan? Je overziet het misschien niet meer, en misschien kan je het ook niet meer aan. En misschien doe je het dan net als de leerlingen, je kunt maar beter naar huis gaan, terug naar hoe het was.

Is dat het waarvoor je hart brandt? lijkt Augustinus te vragen. Is dat wat jullie willen? Dat jullie net als die leerlingen lopen te somberen: ‘De tijden zijn slecht, de tijden zijn zwaar’? — Kom op! Wíj zijn de tijden! Zoals wij zijn, zullen de tijden zijn. Jullie zeggen ‘omdat de wereld slecht is, maar wat is er slecht aan de wereld?’ Is de hemel slecht, of de aarde, of het water? Zijn de vissen slecht, of de vogels of de bomen? Nee, die zijn allen goed. ‘Maar slechte mensen maken de wereld slecht. Laten wij daarom goed leven, dan zullen ook de tijden goed zijn. Zoals wij zijn, zullen de tijden zijn.’

Het is wat jij ervan maakt. Is het stadsklooster slecht? Nee, het stadsklooster is zo goed of slecht zoals jij het goed of slecht gaat maken. Is de toekomst van de Boskapel slecht? Nee, de toekomst is zo goed of slecht zoals wij die goed of slecht maken. Zijn niet überhaupt de tijden slecht voor de kerk? Nee, wíj zijn de tijden. Zoals wij zijn, zullen de tijden zijn.

Het klopt inderdaad dat er in onze samenleving niet veel oog is voor wat de materie overstijgt. Het gaat om marktwerking en productie; een ziektekostenverzekeraar maakt zelfs de psychische gesteldheid van mensen tot een meetbaar product. In het evangelie wordt gezegd: ‘hun blik werd vertroebeld.’ En inderdaad, er wordt niet gezien dat Jezus met ons optrekt, er wordt niet gezien dat er een dimensie is die ons geploeter en gesomber in de materie overstijgt.

Maar, dan is er toch weer dat gevoel dat ons hart brandt. Dan is er toch weer dat verlangen: er moet iets veranderen, er moet iets gebeuren — met de Boskapel, met de kerk, met de hele wereld. Ons hart brandt, en niet alleen bij kerkmensen, het hart brandt ook bij mensen die niets met de kerk hebben. Er is een spirituele onrust, een heel landschap waar her en der op de meest onverwachte plekken het verlangen zich een weg baant. Een landschap van uiteenlopende mensen die zeggen ‘wij zijn de tijden.’ Wij moeten uitstijgen boven alleen het materiële. Het leven is veel groter. — En in onze christelijke traditie is het leven zelfs groter dan alleen dat stukje tussen geboorte en dood — ‘Zoals wij zijn, zullen de tijden zijn.’

Moeten we ons dan niet met elkaar verbinden? Verbinden met alle mensen van wie het hart brandt? — De leerlingen rennen uiteindelijk terug naar Jeruzalem. Niks terug naar huis, nee, op naar de mensen met net zo’n brandend hart als wij. — Moeten we ons niet verbinden met al die zelfstandige cellen van de laura? Symbolisch een soort klooster worden met al die mensen die zeggen: ‘Wij zijn de tijden?’ En laten we daar samen goed leven, ‘en de tijden zullen goed zijn.’

Waar heb je het over? Hoe moet dat toch gaan? Die vraag stelt Jezus ook: ‘Waar loopt u toch over te praten?’ En de leerlingen vragen op hun beurt: hoe kan het dat u het ook niet weet? En het antwoord komt letterlijk gaandeweg. Jezus loopt samen met hen op, en gaandeweg begint hun hart steeds meer te branden. En was hun blik eerst nog vertroebeld, steeds meer komt hun verlangen nu aan het licht. Wat eerst nog een vaag gevoel was, we hadden zo van een toekomst gedroomd, wordt bij het breken van het brood opeens glashelder: Wij zijn de tijden.

Wij moeten het maken, maar hij loopt met ons op. En daarom kunnen we het ook aan. Op weg met hem maken we van de tijden goede tijden. Op weg met hem met hem zullen de tijden goed zijn voor onze Boskapel, voor onze kerken, en hopelijk uiteindelijk ook voor alle mensen met een brandend hart.

Wij zijn de tijden, ons hart brandt, zoals wij zijn zullen de tijden zijn.

Ekkehard Muth, 26 augustus 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie