Transeamus

Lucas 3, 1-6 en Licht in de nacht (Augustinus)

Transeamus, zingen de herders op het veld nadat de engelen weer teruggekeerd zijn. Transeamus — laten we gaan; of als je het heel letterlijk vertaalt, laten we ‘overgaan’, laten we ‘oversteken’. Transeamus usque Behtlehem, laten we oversteken, laten we de overgang maken naar Bethlehem. Bethlehem is in die tijd een gehucht van niks, maar vroeger was het de stad van David, de koning onder wiens heerschappij het leek alsof je in het koninkrijk van God leefde. Transeamus, laten we de overgang maken naar het koninkrijk van God.

Het is de eerste keer dat we een Augustinusviering houden in de advents- en kersttijd. En toen we met de Familia Augustiniana begonnen met de voorbereidingen kwamen we tot een bijzondere ontdekking: het hele jaar door is Augustinus nooit verlegen om een van zijn typische kernachtige uitspraken, er is eigenlijk geen onderwerp te bedenken waar hij niet over spreekt. Maar als je op zoek gaat naar wat Augustinus nou over de adventstijd of over kerst gezegd heeft, dan vind je helemaal niets!

Uiteindelijk kwamen we er ook achter waarom dat zo is. Toen Augustinus leefde werd het kerstfeest namelijk nog helemaal niet zo uitgebreid gevierd. Het was pas door Constantijn de Grote in het verre Constantinopel ingesteld en nog niet echt tot Noord-Afrika doorgedrongen. Constantijn was het ook die de datum van kerst vastlegde, namelijk op de dag van de zonnewende. Op die dag werd tot dan toe de zonnegod vereerd, Ra in Egypte en Helios in Griekenland. Maar zulke ontwikkelingen gaan langzaam, en in de tijd van Augustinus was kerst dus nog niet zo in beeld.

Maar natuurlijk heeft Augustinus het wel regelmatig over wie nou wel het licht is. En dat zijn niet meer de zonnegoden, maar dat is Christus. Hij is een heel ander licht, hij is de zon die nooit meer ondergaat. ‘Wanneer Christus komt en door het geloof in ons hart woont, belooft Hij ons een ander licht.’ Dat wordt dan pas echt een overgang. Transeamus, laten we overgaan naar Bethlehem.

Maar als Augustinus het heeft over ‘overgang’, zeg maar de overgang van wat hij hier als onze nacht beschrijft naar het licht van Christus, dan betekent dat altijd dat ook God een overgang maakt. Het is niet zozeer een beweging waarbij wíj ons maar moeten verheffen naar het hogere, nee, het is vooral God, die afdaalt en gaat wonen in ons hart. ‘U hoger dan mijn hoogste hoogte, mij dichter bij dan ik mijzelf.’

Ik heb het een keertje met grote woorden geformuleerd: Augustinus brengt de verticaliteit en de horizontaliteit bij elkaar. Het zich verticaal richten van beneden naar boven, dat kan niet zonder zich horizontaal te richten naar je medemens en naar de schepping. Als je het zou tekenen dan krijg je vanzelf de kruisvorm. En bij Augustinus is het misschien zelfs een kruis op z’n kop, net als het kruis van Petrus die onderste boven gekruisigd werd, een kruis met een korte lijn van beneden naar boven, maar een heel lange lijn van boven naar beneden. God en mensen treffen elkaar dan bij de dwarsbalk laag bij de grond, waar God links en rechts oplicht in de mensen om je heen.

Dan zingen wij weliswaar transeamus, laten we gaan naar Bethlehem, laten we gaan naar een wereld in Gods licht. Maar God zingt nog veel harder Transeamus, laten we gaan naar Bethlehem, dat gehucht van niks; laten we gaan naar mijn mensen. Laten we overgaan en zelf mens worden. Augustinus heeft eigenlijk geen kerstfeest nodig, het is elke dag wel kerst, want elke dag komt God in het hart van zijn mensen wonen.

En we kunnen dat heel duidelijk merken, want soms zien we al een glimp van zijn licht. Onze nacht, zegt Augustinus, heeft een heel eigen licht. ‘In deze wereld vormen voorspoed en geluk, tijdelijke vreugde en aardse eer als het ware het licht van deze nacht.’ Dat zijn bij wijze van spreken de vier lichtjes op onze adventskrans, waarin je al het grote licht kan zien.

Maar dat licht wordt gedoofd door ‘tegenspoed’, door ‘bitter lijden’ en door ‘verlies van aanzien’. Maar dat is helemaal niet zo erg, zegt Augustinus met een knipoog, want, zegt hij, ‘zo krijgt de gelovige, in zijn omgang met deze wereld, zin voor betrekkelijkheid.’ — Tja, daar moet je het maar mee doen.

Maar het licht dat we hier al mogen zien helpt ons om steeds verder te trekken. Transeamus op onze kronkelwegen die we hier moeten gaan, door al die diepe dalen waar we doorheen moeten en met al die steile hellingen die we maar omhoog moeten zien te komen. En misschien is het dan zoals Jesaja zegt: ‘Maak de weg van de Heer gereed.’ Misschien worden door voorspoed de paden wat rechter, wordt iedere kloof gedicht met geluk; bergen en heuvels worden geslecht door vreugde die we hier mogen ervaren, en als ons aanzien en eer ten deel vallen dan worden hobbelige wegen geëffend.

Loop daar echter niet mee te koop, zegt Augustinus, je weet zelf hoe betrekkelijk het allemaal is. Toch hoor je daarin tegelijkertijd ook God roepen: ‘transeamus’, je hoort hem net als de herders zingen: transeamus. En dan is er geen houden meer aan, dan komt hij recht op ons af, bergen en heuvels geslecht, kloven gedicht.

Zodat wij mogen leven in zijn licht.

Ekkehard Muth, 9 december 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *