Spiritualiteit van het kind

Johannes 6, 1-15

‘De wonderbare broodvermenigvuldiging’, zo staat het verhaal dat we zojuist gehoord hebben, in de traditie bekend. Maar de Evangelist Johannes die dit verhaal heeft opgetekend, spreekt niet van een wonder, maar van een teken. ‘Toen de mensen het teken zagen dat hij gedaan had….’

Een teken vraagt erom dat we verder moeten kijken dan wat er uiterlijk gebeurt en verteld wordt. Het verhaal heeft een diepere betekenis. Een wonder wekt sensatie alsof het een toverkunst is, een teken wil iets openbaren.

‘Blijf dus niet bij het uiterlijk teken stilstaan’ zegt Augustinus, ‘maar probeer door te dringen tot wat het teken wil zeggen’.
Nu bestaat er een opvallende uitleg van de wonderbaarlijke broodvermenigvuldiging die dáár erg goed in slaagt. Als namelijk in het verhaal zich het probleem voordoet, hóe duizenden mensen te spijzigen, zeggen de apostelen Filipus en Andreas: ‘Onmogelijk…. onbegonnen werk!’ Maar een jongen in zijn argeloze goedheid stelt zijn 5 broodjes en 2 vissen ter beschikking. Jezus zegent het brood en begint het uit te delen. Als de mensen dat zien, dan schamen ze zich, ze generen zich. Want velen van hen hebben, net zoals de jongen, ook zelf eten meegenomen, voor zichzelf. Maar ze durven daar niet vooruit te komen, bang dat ze zelf niet genoeg zouden hebben. Maar de argeloosheid en onbevangenheid van de jongen en de bevestiging daarvan door jezus, doen als het ware hun bevroren harten ontdooien. Tja…. nu kunnen ze niet achterblijven en wordt het voedsel dat ze hebben meegenomen onder elkaar verdeeld. En dan blijkt, zo vertelt het verhaal, er nog heel wat over te blijven.

Vroeger dachten en leerden we: het gaat om het wonder dat Jezus heeft verricht. De rest van het verhaal is bijkomstig: dat de jongen zijn meegebracht eten beschikbaar stelt, dat er nog veel overbleef, enz. Dat wordt er alleen maar bij verteld om het verhaal wat op te smukken…… smeuïger te maken. Maar in deze nieuwe verklaring vervult de jongen een wezenlijke rol. Ergens anders zegt Jezus tegen zijn apostelen: ‘als je niet wordt als een kind, kun je het Rijk van God niet binnengaan’.

De spiritualiteit van het kind is zijn argeloze, probleemloze goedheid. En natuurlijk: het leven is hard, en bij het volwassen worden hoort dat je je wapent tegen die hardheid, tegen misbruik. Maar wat Jezus bedoelt is: dat je iets in jezelf bewaard van de spiritualiteit van het kind, van je eigen oorsprong.

Het verhaal van vandaag wil in ieder geval laten zien wat argeloze, probleemloze goedheid al niet vermag!
‘Wonderbaarlijk’, zou je kunnen zeggen. Goedheid van de jongen, goedheid van Jezus, niet in grootse gebaren en edele, hooggestemde verklaringen, maar in een gewone daad: voedsel geven en het met elkaar delen, zonder pretentie.

Zo wordt Gods goedheid openbaar, op de eerste plaats in jezus Christus, maar ook in het kind; en in de apostelen die in Jezus naam optreden. En die goedheid moet ook nu openbaar worden gemaakt in zijn volgelingen, in ons die in Jezus geloven.

Laten we daarom de volgende geloofsbelijdenis uitspreken, die de Vlaamse Jezuïet Frans Cromphout ons heeft nagelaten:

Ik zal niet geloven in het recht van de sterkste
en de taal van de wapens, in de macht van de machtigen.
Maar ik wil geloven in het recht van de mens
in de open hand, in de geweldloosheid.
Ik zal niet geloven in ras en rijkdom,
in voorrechten, in de gevestigde orde.
Maar ik wil geloven dat alle mensen mensen zijn
dat de orde van de macht en het onrecht wanorde is.
Ik zal niet geloven dat ik verdrukking kan bestrijden
als ik onrecht hier laat bestaan.
Maar ik wil geloven dat recht één is, hier en daar,
dat ik niet vrij ben zolang nog één mens slaaf is.
Ik zal niet geloven dat honger en oorlog onvermijdelijk is
en vrede onbereikbaar.
Maar ik wil geloven in de kleine daad, in de macht der goedheid,
in vreedzame aarde waar gerechtigheid woont.
Ik zal niet geloven dat alle moeite vergeefs is.
ik zal niet geloven dat de droom van de mensheid een droom zal blijven,
dat de dood het einde is.
Maar ik durf te geloven, altijd en ondanks alles, in de nieuwe mens.
Ik durf te geloven in Gods eigen droom:
een nieuwe hemel, een nieuwe aarde, waar gerechtigheid zal wonen.

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *