Sint Maarten

Sint Maarten door Antoon van Dyck

Marcus 12, 41-44 Sint Maarten

Zo simpel is het dus. Hup de mantel doormidden dan heeft de ander het warm. Misschien heb ik het dan wat minder warm, maar ik heb het nog altijd net zo warm als de ander.

Als je mantelzorger bent, dan weet je dat. Je houdt je man, je vrouw, je houdt de ander warm. Misschien moet je daarvoor heel wat van je levenskwaliteit opgeven, je kan lang niet meer alles doen wat je zou willen. Je geeft je halve mantel en hebt het daardoor misschien wat ‘kouder’, maar samen komen jullie de winter van de ziekte wel door.

Je kent het eigenlijk van alle vormen van samenleven, in een groep, met je collega’s op je werk, in je sportvereniging, maar ook gewoon thuis in je gezin: Het is altijd geven en nemen. Je kan je nooit alleen maar in je eigen mantel hullen en de anderen zoeken het maar uit. Nee, zolang niet iedereen het warm heeft, zolang niet iedereen een stukje van de mantel om de schouders heeft, ben ook jij nergens.

Augustinus heeft het delen van de mantel helemaal boven aan zijn Regel gesteld. In de allereerste zinnen zegt hij: ‘Zorg ervoor dat alles onder u gemeenschappelijk is. Uw overste moet ieder van voedsel en kleding voorzien. Niet dat hij iedereen evenveel moet geven, want u bent niet allen even sterk, maar aan elke persoon moet gegeven worden wat hij persoonlijk nodig heeft.’ — Iedereen een stukje van de mantel, niet alle stukjes even groot, maar wel zo dat iedereen het warm heeft.

De bedelaar staat in de kou en de meeste mensen tasten even in de buidel naar wat muntjes die ze hem toegooien. Die muntjes zullen ze niet missen, ze geven van hun overvloed. Maar die aalmoezen van de overvloed houden niet warm, en van die stuivertjes en dubbeltjes zal hij ook nooit een mantel kunnen kopen. — Van die twee muntjes die de arme weduwe in ons evangelie geeft kan je ook geen mantel kopen, en toch houden ze warm.

Dat heeft te maken met de vraag of je alleen maar vanuit je overvloed geeft, of dat je alles geeft. We kennen dat zelf ook. Als je mensen niet zo goed kent, dan blijf je een beetje op afstand. Je bent beleefd en als de ander hulp nodig heeft bied je uiteraard de helpende hand. Maar dan houdt het ook een beetje op. Je geeft weliswaar, maar je geeft slechts enkele muntjes van je overvloed.

Bij mensen die dicht bij je staan is dat een heel ander verhaal: Voor degene voor wie je zorgt, geef je echt alles. Voor je kinderen is je niets teveel. Je geeft alles voor je echtgenoot. Als je arts bent geef je alles om je patiënten te helpen, als verpleegkundige zet je je met heel je hebben en houden in. Als kleuterjuf of als docent geef je alles om je kinderen een goede start in het leven mogelijk te maken. En in je voetbalteam, of welke sport je ook beoefent, geef je alles zodat jullie team zo goed mogelijk presteert.

En misschien krijgt dit alles geven voor ons als kerkmensen nog een extra dimensie, want je geeft niet alleen van je overvloed aan talenten, je geeft ook nog eens van je hoop en van je verlangen. Je geeft dus niet alleen van wat je hebt, je geeft ook nog eens van wat jouzelf overstijgt.

Straks zingen we: ’Ik loop hier met mijn lantaren / en mijn lantaren met mij / Daarboven stralen de sterren / beneden stralen wij’. Je geeft niet alleen van je eigen licht, nee, je geeft ook het licht door van de sterren, het licht van God die zelf het licht is.

De anderen geven van hun overvloed, maar de weduwe geeft alles. Ze pakt haar twee laatste muntjes, God zegene de greep, en doet ze in de offerkist. Ze geeft alles zodat anderen die het wellicht nog slechter hebben als zij ook een stukje van die mantel om hun schouders mogen voelen. Daarmee maakt ze zich afhankelijk. Ze wordt afhankelijk van degene die zijn mantel met haar deelt. Ze wordt afhankelijk van dat ook anderen de hoop en het verlangen met haar delen, dat ook anderen alles willen geven voor een wereld waar iedereen het warm mag hebben.

De anderen geven van hun overvloed, ze geven wat muntjes maar de dikke bankrekening houden ze achter de hand. De weduwe gaat voor wat die bankrekening overstijgt. Ze vertrouwt niet langer op een kille wereld waar we ons er met een paar muntjes uit onze overvloed van af maken. Ze vertrouwt zich toe aan de warmte die door ons heen straalt wanneer we alles voor elkaar over hebben. Ze vertrouwt zich toe aan het licht van onze lampionnetjes, het licht van God wanneer we voor elkaar licht proberen te zijn.

Is dat naïef? Misschien wel, maar misschien ook niet. Straks komen de kinderen terug met hun lantarentjes. En Sint Maarten sneed gewoon zijn mantel in tweeën. Hoe eenvoudig wil je het hebben?

Dat we voor elkaar licht mogen zijn, dat we voor elkaar een mantel mogen zijn.

Ekkehard Muth, 11 november 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *