Putten uit de krachtige wijnstok

Wijnstok met druivenJohannes 15, 1-10, Augustinus preek 125A

Johannes en Augustinus schelen zo’n 300 jaar, maar ze kunnen het goed met elkaar vinden. Voor allebei namelijk is er niet zoveel verschil tussen de aardse wereld hier en de hemelse wereld daar. Het hele Johannesevangelie, ook ons stukje van vanochtend, leest als een achtbaan; net nog denk je dat je op de aarde bent, maar na de volgende bocht wordt je alweer gelanceerd naar de hemel, om dan weer af te dalen naar de aarde, enzovoort. Hemel en aarde horen gewoon bij elkaar.

Maar terwijl je bij Johannes nog het gevoel hebt dat het om een beweging naar boven gaat, heeft Augustinus het over een beweging naar beneden. Bij Johannes is het: ‘Blijf in mijn liefde, zoals ik in zijn liefde blijf.’ Bij Augustinus is het: ‘Wij eren God en God eert ons.’ Wij proberen weliswaar op te stijgen, maar het is vooral God die afdaalt.

De mensheid is ooit begonnen om het wereldlijke en het heilige als twee gescheiden werelden te zien. Dat heeft aan de ene kant heel veel schroom weggenomen om niet alles als godgegeven te zien zodat er bijvoorbeeld wetenschap kon ontstaan. Maar aan de andere kant zijn we ook doorgeschoten en zijn we alleen nog maar materieel gaan denken; in termen van marktwerking en maakbaarheid. Toch kan je intussen proeven dat de mensen een beetje genoeg hebben van die eenzijdigheid. Gelovig of niet, mensen gaan weer op zoek naar spiritualiteit. Het verlangen wordt steeds groter om net als Augustinus en Johannes de beide werelden weer met elkaar te verbinden.

En dan natuurlijk niet in de zin van ‘stil maar, wacht maar, alles wordt goed’, of dat je zo’n beetje elk wissewasje in Gods handen legt en erop wacht dat hij het wel opknapt. Nee, zegt Augustinus, het zijn namelijk wel degelijk ‘onze vruchten’. Het blijft jouw verantwoordelijkheid, jij moet het doen, jij moet vrucht brengen. Maar je hoeft het niet allemaal uit jezelf te halen. Je mag groeien op de akker die de boer voor jou verzorgd heeft. Je mag putten uit de krachtige wijnstok. En vanuit die wijnstok mag je jouw ranken zo ver uitstrekken als je maar kunt.

En soms sta je inderdaad verbaasd naar jezelf te kijken hoever je ranken wel groeien en hoeveel vrucht ze dragen. Dan merk je opeens dat je kracht krijgt die je nooit voor mogelijk had gehouden. Dat je kunt dragen wat eigenlijk veel te zwaar voor je is. Opeens komen er vruchten uit je voort die je nooit had verwacht. Plotseling vind je toch een weg om uit die oude impasse te komen. Verrassend genoeg blijk je in je ziekte toch ook waardevolle momenten mee te maken. Misschien had je je er al lang bij neergelegd dat je ranken voorgoed verdord waren door wat je hebt meegemaakt of door wat jou aangedaan is; maar opeens blijkt er toch weer leven in te zitten en komen er onverwachtse vruchten uit voort.

Onze vriend in Duitsland die wijnboer is, schrijft elk jaar een korte brief aan zijn klanten. Hij is geen schrijver en hij ziet er dan ook wekenlang tegenop om die brief te schrijven, maar als je die brief dan leest, dan hoor je hem uit de grond van zijn hart spreken. En eigenlijk is het met wat variaties elk jaar weer hetzelfde verhaal: Dan was het een veel te droge zomer, maar ondanks de droogte bleken de wijnstokken diep in de aarde toch voldoende voeding gevonden te hebben. Of door de late vorst leken de nieuwe ranken bevroren, maar toch kwamen er vruchten. Of er was teveel regen zodat de druiven weliswaar mooi vol waren, maar dat ze te weinig suiker dreigden aan te maken voor het gistingsproces. En toch bleken de weinige zonnestralen uiteindelijk toch ruim voldoende geweest te zijn. Enzovoort. —
Elke keer schrijft hij weer over het wonder dat de ranken toch weer genoeg kracht hebben gevonden om goede vruchten voort te brengen. — Het lijken net mensen.

Als je gelovig bent dan zie je daarin de hand van God. En als je niet gelovig bent dan sta je op z’n minst verwonderd te kijken waar je toch de kracht vandaan hebt gehaald. Voor Augustinus en Johannes is de keuze duidelijk: Christus is de wijnstok en God is de wijnboer. ‘We worden van onvruchtbaar vruchtbaar en vruchtdragend gemaakt’ zegt Augustinus.

God eert ons door voor ons te zorgen. Als een goede wijnboer verzorgt hij de akker. Maar dat neemt niet weg dat je daarvoor soms elk zonnestraaltje moet opzoeken, of je moet door een lange periode van kou heen, of je moet heel diep gaan om ‘droog en dorstig als we zijn door hem gelaafd te worden’. Het zijn wij die de vruchten brengen, het zijn ónze vruchten, maar ze smaken naar God. — Dat we steeds weer zulke vruchten mogen dragen.

Ekkehard Muth, 29 april 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *