Moed

Joh 2, 13-25

In onze tocht langs de zeven deugden staan we vandaag stil bij de ‘moed’. Jezus toont zich hier moedig. Al eeuwenlang heeft zich rondom de tempel een hele economie ontwikkeld om de vele pelgrims die van heinde en verre komen van offerdieren te voorzien. Waarschijnlijk was het in het begin zo dat je als pelgrim eerst eens ergens in Jeruzalem je geld moest wisselen. Daarna moest je naar de handelaren om een offerdier aan te schaffen. En vervolgens ging je op weg naar de tempel. Maar zoals dat gaat, de commercie rukt steeds verder op. Op gegeven moment zullen de eerste handelaren een filiaal geopend hebben op het tempelplein zelf. En na verloop van tijd zijn ze uiteindelijk direct in de tempel zelf gaan zitten. Als je dan bijvoorbeeld met je twee duiven bij het altaar kwam en je dacht: ‘ach, laat ik toch nog maar een geit erbij doen’, dan kon dat ter plekke. — De tempel leek eerder op een markthal dan op een gewijde plek.

Maar ja, wat eeuwenlang zo gegroeid is, dat verander je niet zomaar. Maar Jezus raapt al zijn moed bij elkaar en maakt schoon schip. De bewaarders van de bestaande orde zijn er dan ook als de kippen bij: heeft u hier wel een vergunning voor? ’met welk teken kunt u bewijzen dat u dit mag doen?’ En in de hitte van de strijd laat Jezus zich ontvallen: ‘Breek deze tempel maar af, en ik zal hem in drie dagen weer opbouwen.’ — Wanneer Jezus later voor Pontius Pilatus staat en de aanklagers eigenlijk geen goede argumenten meer hebben, zullen ze precies die uitspraak tegen hem gaan gebruiken. — Maar de evangelist Johannes zet er meteen bij dat het natuurlijk niet plat om de letterlijke betekenis gaat, maar dat je hier naar de diepte moet kijken. Dat Jezus hier uiteraard ‘de tempel van zijn lichaam’ bedoelt. En dat hij hier verwijst naar der verrijzenis uit de dood na drie dagen.

Later zal Paulus in zijn brieven schrijven dat wijzelf de tempel zijn. En Augustinus preekt er vaak over dat onze harten de levende stenen zijn waaruit de tempel opgebouwd wordt. En als je bedenkt dat bij Augustinus het hart de plek is waarin we God kunnen herkennen, dan is het eigenlijk God zelf die door ons, met ons, en in ons de tempel bouwt. — Zo was de tempel in Jeruzalem ook gebouwd rondom de ark waarin het volk Israël de tafels met de tien geboden door de woestijn naar het beloofde land gebracht had. De woorden van God stonden in het centrum, en iedereen die de tempel binnenkwam zou zelf tot tempel worden.

Maar de tempel was veranderd in een markthal, en als je zo ondergedompeld wordt in de commercie, dan begint ook je geloof te veranderen. Voor dat je er erg in hebt begin je te denken dat je niet meer zelf tot tempel hoeft te worden maar dat je dat kunt afkopen. We merken zelf ook hoe het idee van de marktwerking grip krijgt op bijvoorbeeld de zorg; of hoe ons denken over het nut van een mensenleven beïnvloed wordt door de vraag wat het allemaal kost. — Zouden we niet wat moediger moeten zijn om ook hier eens met de bezem doorheen te gaan.

Maar terug naar je eigen tempel. Misschien gebruik je de vastentijd om ook bij jezelf schoon schip te maken. Misschien begin je letterlijk bij je lichaam en eet je bijvoorbeeld geen vlees, of laat je het glaasje wijn achterwege. Maar misschien ben je ook bezig om geestelijk schoon schip te maken. Net als de handelaren doorgedrongen zijn tot in het binnenste van de tempel, wat heeft zich bij jou zo in je geest genesteld dat je het met de zweep eruit wilt jagen. Misschien zit er ergens een stemmetje wat alsmaar tegen jou zegt: je bent niet goed genoeg. Misschien ben je zo verstrikt geraakt in alsmaar weer dezelfde conflicten dat je niet meer kunt zien wie de ander is, laat staan wie jezelf ten diepste bent. Misschien hebben scheve verhoudingen je zo in hun greep dat alles wat je probeert op te bouwen meteen weer afbrokkelt. En net zoals de handelaren de tempel misbruikt hebben en met hun commercie het geloof hebben verdreven, misschien wordt zo nog steeds je tempel leeggeroofd door wat je ooit is aangedaan.

Misschien heb je voor deze geestelijke schoonmaak nog meer moed nodig dan voor een beetje afvallen of het glaasje wijn laten staan. De zweep er doorheen, met al je moed. De tempel reinigen, zodat die weer kan worden wat die is. Zodat jij weer kunt worden wie je bent.

Namelijk: een mens die bestemd is om op te staan uit de dood. En die verrijzenis, die begint nu al doordat je een tempel bent waar God woont, doordat je nu al een levende steen bent om aan een wereld te bouwen die steeds meer lijkt op het koninkrijk van God. Dat je op die manier een mens bent die deel heeft aan wat jezelf overstijgt, ook al vind je dat allemaal veel te groot om te bevatten.

Jezus raapt al zijn moed bij elkaar om dit weer aan het licht te laten komen. Mogen wij ook moedig zijn.

Ekkehard Muth, 4 maart 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Één reactie op Moed

  1. Theo Thier schreef:

    Bij het luisteren naar deze overweging trof me een bepaalde passage sterk.
    Ik heb deze overweging daar nog ‘ns op nagelezen.
    (Maar wil het verder graag voor mezelf houden…)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *