Matigheid

Marcus 1, 12-15
Genesis 9, 8-16

In deze veertigdagentijd willen we dus stilstaan bij de zeven deugden. En vandaag is de ‘matigheid’ aan de beurt. — Misschien ga je in deze tijd vasten, laat je de wijn misschien staan, of stop je met roken. Misschien leg je ook je mobieltje opzij. Allemaal oefeningen om de goede maat te vinden.

In onze eerste lezing moeten Noach, de mensen dus, en vooral ook God zelf de goede maat vinden om samen opnieuw verder te gaan. En in onze evangelielezing wordt Jezus op de proef gesteld of hij wel de goede maat kan vinden in het gebruik van wat God hem meegegeven heeft, de goede maat tussen god-zijn en mens-zijn.

Het staat hier allemaal niet, maar bij de andere evangelisten wordt die beproeving van Jezus veel breder uitgemeten. Na veertig dagen vasten vraagt Satan aan Jezus om zijn macht te gebruiken en van stenen brood te maken. Vervolgens wordt Jezus meegenomen op het hoogste punt van de tempel. ‘Spring, want de engelen zullen jou opvangen’, toch? En tot slot krijgt Jezus alle koninkrijken van de wereld te zien. Dit alles mag je hebben mits je mij, de satan, aanbidt.

Hoe graag zou je dat niet zelf ook willen, dat de stenen die jou in de weg liggen eindelijk in beweging kwamen. Dat ze misschien veranderden in brood. Dat de stenen jou niet meer belasten en tegenhouden, maar dat zij jou zouden voeden en energie zouden geven.

En hoe graag zou je toch willen dat de engelen jou zouden opvangen. Omdat je het zelf niet meer redt, omdat je geen uitweg meer ziet. Je bent opgeklommen naar het hoogste punt van de tempel: je hebt je suf gebeden, je hebt gedragen en geïncasseerd. Je zou je het liefst laten vallen in de handen van de engelen.

En als je toch koning zou zijn over de hele wereld. Daar zou je wel raad mee weten. De honger de wereld uit, weg met corruptie en willekeur. De dictators die hun mensen zo in wanhoop brengen dat ze alleen nog maar kunnen vluchten. En dan hebben we het nog niet eens over oorlog en terreur.

Wat aan dit rijtje opvalt is, dat jij die mogelijkheden zou gebruiken om goed te doen. Maar er zit een addertje onder het gras. Want satan stelt aan het eind een belangrijke voorwaarde, namelijk dat wij hém aanbidden. Hoe groot is namelijk de verleiding dat we die mogelijkheden niet alleen gebruiken om goed te doen, maar dat we ze ook gebruiken om kwaad te doen? Dat je wellicht wilt bepalen wie wel brood krijgt en wie niet. De terroristen bepalen wie er door de engelen opgevangen wordt en wie gewoon doodvalt. En we kunnen dagelijks zien hoe heersers het pluche belangrijker vinden dan het welzijn van hun mensen.

Je kan er heel veel goeds mee doen, maar het blijft altijd ook een beproeving. De beproeving namelijk om de juiste maat te vinden.

Misschien komt de satan in de wereld, misschien komt het kwaad in de wereld doordat we niet de goede maat houden. En vaak gaat het daarbij vooral om de goede maat tussen mij en de ander. Je kan met je mogelijkheden heel veel goeds doen, maar je kan je ook beperken tot dat het vooral goed is voor jezélf. In het verhaal van Jezus in de woestijn wordt Jezus gevraagd om satan te aanbidden, maar eigenlijk wordt hij gevraag om vooral voor zichzelf te kiezen, en om zichzelf boven de ander te stellen: maak brood voor jezelf, laat jezelf dragen, ga zelf heersen over alle anderen.

Dit was precies ook de reden voor de zondvloed. En dan lees ik het hele verhaal van de zondvloed niet als een grote wraakactie van God voor alle overtredingen. Maar het verhaal van de zondvloed wil vertellen dat God een nieuwe wereld schept. En om die nieuwe wereld duidelijker te kunnen zien wordt er verteld hoe de oude wereld vernietigd wordt. Noach en zijn familie, en alle dieren komen uit de oude wereld van zeg maar ‘mateloosheid’. Dat is een wereld waarin de verhoudingen zoek zijn. Waar eigen genot gaat boven het welzijn van de ander. Waar overvloed betaald wordt door de armen. Waar het goede leven ten koste gaat van het milieu. Een wereld van het dikke ik, ‘me first’.

En zoals bij de schepping uit de oervloed de wereld geschapen wordt, zo wordt hier uit de vloed de nieuwe wereld geschapen. Noach en wij allemaal mogen opnieuw beginnen.

Maar ook God mag opnieuw beginnen. Het is ook een verhaal waarin God de goede maat terug moet vinden. In zijn ijver om deze wereld nou eindelijk een beetje beter te maken is ook hij doorgeschoten. En hij belooft dat hij voortaan de goede maat wil houden. Na elke regen, na de ergste storm komt altijd weer zijn regenboog. Die regenboog herinnert ons, maar die herinnert vooral ook hém aan de goede maat. ‘Wanneer in de wolken de boog zichtbaar wordt, zal ik denken aan mijn verbond met jullie en met al wat leeft.’

Misschien is dat wel een goede definitie van matigheid, namelijk de verbondenheid met elkaar, de goede maat tussen mij en de ander. Onze verbondenheid met God, onze verbondenheid met de mensen om ons heen, en onze verbondenheid met al wat leeft. En in die verbondenheid, daarin moeten we juist mateloos zijn.

God belooft aan Noach om voortaan mateloos bij zijn mensen te zijn. Jezus begint aan zijn missie, waarin hij zich uiteindelijk mateloos aan ons zal geven. En mogen wij in deze veertigdagentijd de goede maat terugvinden: de mateloze verbondenheid met God en met elkaar.

Ekkehard Muth, 18 februari 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie