Kom maar mee, dan zul je het zien.

Foto: Ben Atkin

Johannes 1, 35-43

‘Voortaan zul je Petrus heten’, voortaan zul jij de rots zijn, voortaan zul jij de steen zijn waaruit mijn huis wordt opgetrokken. ‘Tu es Petrus’ klinkt het in de liturgie bij de benoeming van de paus. Jij bent Petrus, jij belichaamt wat wij allen zijn: de steen waarmee het koninkrijk van God wordt gebouwd.

Johannes komt meteen ter zake. De andere evangelisten proberen het verhaal van Jezus zo te vertellen alsof het een verslag is van zijn leven, maar Johannes valt meteen met de deur in huis. Hij schrijft een mythologisch verhaal, en wat er allemaal daadwerkelijk gebeurt, wat er gezegd en gedaan wordt is voor hem slechts een kapstok. Hij vertelt meteen het diepere verhaal.

Jezus is gisteren door Johannes de doper gedoopt, en als hij Jezus nu weer ziet langslopen, roept hij: ‘Daar is het lam van God.’ In de dagelijkse omgang met elkaar roep je dat niet zomaar achter iemand na. Het is een en al theologie: Tot nu toe was het gebruikelijk om op het altaar in de tempel dieren te offeren. Die kon je buiten aanschaffen en binnen aan de priesters geven. Daar werden ze ritueel geslacht en op het altaar verbrand zodat de rook kon opstijgen naar God. Nu zegt Johannes de doper: kijk hier, Jezus Christus, de zoon van God, hij wordt het nieuwe offerlam. Geen offerdieren meer, God offert zijn eigen vlees en bloed, God offert zichzelf op.

Daar kan je hele theologische boeken over schrijven, maar voor Johannes is dat gewoon gesneden koek. Geen wonder dan dat de twee leerlingen meteen met Jezus meegaan, en één van hen, Andreas, roept zijn broer Simon erbij en zegt: Wij hebben de messias gevonden. — Het is als bij een feestje, de kapstok hangt overvol met jassen. Er gebeurt hier heel weinig, maar daar wordt een enorme brok theologie aan opgehangen.

En de leerlingen laten er ook geen gras over heen groeien. ‘Rabbi, waar logeert u?’ Dat wil niets anders zeggen dan: we willen mee, we willen ons leven met u delen, we willen bij u wonen. En Jezus antwoordt net zo direct: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Ze gaan met hem mee en blijven ook meteen overnachten.

Het evangelie van Johannes is ongeveer rond het jaar 90 geschreven, dus ruim een halve eeuw na het leven van Jezus. Er bestonden al christelijke geloofsgemeenschappen, en men was al lang begonnen om theologisch na te denken. Het christendom was al bezig om van een losse beweging te veranderen in een godsdienst, en daarbij hoort natuurlijk ook de bijbehorende leer. Ongeveer 300 jaar later zou Augustinus daarop voortborduren en opschrijven: ‘Christus woont in de innerlijke mens.’

‘Rabbi, waar logeert u?’ Augustinus zegt: ’Keer terug naar je hart!’ Daarbuiten dool je rond vervreemd van jezelf. Je kent jezelf niet eens en je zoekt Hem door wie je gemaakt bent!? — Het is een beetje net als bij Samuël in onze eerste lezing. Alsmaar weer wordt hij wakker omdat hij geroepen wordt. ‘Samuël!’ en dan staat hij op en loopt naar de kamer van Eli. ‘Hier ben ik, u hebt me toch geroepen?’ Hij doolt letterlijk daarbuiten rond. En Eli zegt dan ook, nee ik heb je niet geroepen, ga maar weer terug, terug naar bed, terug naar je kamer, terug naar je hart.

‘Waar logeert u?’ ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’ Maar vervolgens wordt er niets verteld over wat voor een huis het was. In plaats daarvan komt Simon erbij, en zodra Jezus hem ziet zegt hij: ‘Jij bent Simon, de zoon van Johannes, maar voortaan zul je Petrus heten’; rots, dus, steen. Jij bent de rots waarop het huis gebouwd wordt, jij bent de steen waarmee het huis opgetrokken wordt. En als jullie me vragen, ‘waar logeert u?’ dan is mijn antwoord: dáár logeer ik.

Dat merkt ook Samuël in die wonderlijke nacht als hij alsmaar weer zijn naam hoort roepen. En bij de derde keer wordt het hem duidelijk: die stem komt niet uit de kamer van Eli, maar uit zijn hart, en daar uiteindelijk van God zelf. En Eli zegt dan ook: ‘Ga maar weer slapen. Wanneer je weer wordt geroepen, moet je antwoorden: “Spreek, Heer, uw dienaar luistert.” En Augustinus heeft dat zelf ook aan den lijve ondervonden, en vertelt het in zijn belijdenissen zo: ’Ja, u was binnen in mij en ik buiten, en daar zocht ik u’.

‘Waar logeert u?’ vragen de leerlingen. En gaandeweg wordt duidelijk dat Jezus bij henzelf logeert. Tu es Petrus. Voortaan zul jij Petrus heten, voortaan zullen jullie allemaal Petrus heten. Jullie zijn de stenen waarmee mijn koninkrijk gebouwd wordt. Ik logeer bij jullie.

En als je je afvraagt: hoe moet dat nou? antwoordt Jezus: ‘Kom maar mee, dan zul je het zien.’

Ekkehard Muth, 14 januari 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Kom maar mee, dan zul je het zien.

  1. Theo Thier schreef:

    DUS:
    “Rabbi, waar logeert U?”, vragen de twee leerlingen van Johannes de Doper, en Jezus antwoordt direct: “Kom maar mee, dan zul je het zien.” …..

    …en Ekkehard laat er dan aan het einde van zijn overweging op volgen: “En als je je afvraagt: hoe moet dat nou?” zou het antwoord o.a. kunnen zijn: Meedoen met besprekingen van een essay van Hermann Hâring onder de titel GELOOF IN EEN GESECULARISEERD TIJDPERK, waarin aanwijzingen staan over hoe een moderne kerk als de Boskapel VERDER KAN BOUWEN aan wat in die tijd van Johannes de Doper ontstaan is onder leiding van ene Jezus van Nazareth (van welk dorp sommigen zich toen hardop afvroegen: Wat voor goeds kan dáár nou vandaan komen?)

    Theo Thier

Geef een reactie