Ik zocht u buiten

Genesis 3, 9-15, Augustinus: Ik zocht u buiten

‘Ich weiß nicht was soll es bedeuten’, zo begint het bekende Duitse lied van Heinrich Heine over de Loreley. Wie eens een reisje langs de Rijn heeft gedaan, kent het verhaal. Tussen Taunus en Hunsrück, Eifel en Westerwald moet de Rijn zich door een nauwe doorgang wurmen. En nog steeds moeten de binnenschippers voor dit stuk een loods aan boord nemen omdat er gevaarlijke draaikolken zijn en omdat er verraderlijke rotsen in het water liggen. In vroeger tijden gebeurde het vaak dat de schepen op de rotsen liepen en met man en muis vergingen.

De sage vertelt dat dit kwam door de betoverend schone Loreley. Zij zat hoog op haar rots met een gouden kam haar gouden haar te kammen. En daarbij zong zij zo bekoorlijk dat de schippers alleen nog maar naar haar konden kijken en luisteren. Totdat hun schip op de rotsen liep en met lading en al werd verzwolgen door de golven. Heinrich Heine eindigt zijn lied met: ‘die Wellen verschlingen am Ende Schiffer und Kahn, das hat mit ihrem Singen die Loreley getan.’

Zo’n verhaal noem je een etiologie, een verhaal dus wat een verklaring moet leveren voor een bekend verschijnsel. Natuurlijk wisten de schippers dat dit een gevaarlijke passage was. En toch, ondanks alle stuurmanskunst gebeurden er ongelukken; je kon zo voorzichtig zijn als je wilde en opletten zoveel als je maar kon, en toch ging het alsmaar weer mis. Wat is dat toch? Het lijkt wel alsof er een bovennatuurlijke kracht aan het werk was. Het verhaal van de Loreley beschrijft dan wellicht niet de feitelijke oorzaak, maar het levert wel een verklaring.

Zo’n etiologie is ook onze lezing uit Genesis. Vol verlangen loopt God door de tuin van Eden en roept: mens waar ben je?
Mens, waar ben je? Waar staan wij in deze wereld? Als we toch gemaakt zijn naar beeld en gelijkenis van God, hoe komt het dan toch dat het leven soms zo tegenstaat? Hoe komt dan toch het kwaad in de wereld? Als we toch alle mogelijkheden ter beschikking hebben om in deze wereld als in een tuin van Eden te leven, waarom lukt ons dat dan niet? Waarom kunnen we niet gewoon in vrede met elkaar leven? Waarom krijgen we het niet voor elkaar om genoeg te eten te hebben voor iedereen en om iedereen te kleden? We weten heel goed hoe paradijselijk we met elkaar zouden kunnen leven; maar waarom lukt het ons dan niet om er een paradijs van te maken? —

En toen, duizenden jaren geleden, begonnen wij aan elkaar het verhaal van de zondeval te vertellen. Van het paradijs. Maar zelfs als we bijna goddelijk gemaakt zijn, en zelfs wanner we als een god in het paradijs mogen leven, dan nog kunnen we de verleiding niet weerstaan om voor God te spelen. Die ene boom, dat is eigenlijk weer een etiologie op zich, die ene boom die ons almacht en alwetendheid zal schenken, ook van die boom zullen we eten, koste wat kost. — Als er één oorzaak van het kwaad aan te wijzen is, dan is dat de verleiding van de macht. Macht is zo verleidelijk als zoete vruchten, zo verleidelijk als vrouwen, en ook mannen, kunnen zijn. En ook al ben je nog zo van goede wil, en ook al let je nog zo goed op, voor dat je er erg in hebt glipt de verleiding van de macht als een slang naar binnen. —
Mens, waar ben je? Het lijkt wel groter dan wijzelf, het overstijgt ons. Heinrich Heine begint zijn lied niet voor niets met ‘Ich weiß nicht, was soll es bedeuten.’

Augustinus heeft het zelf ondervonden. ‘Ik zocht U buiten mij, maar zie, U was in mij.’ Hij zocht buiten, buiten al die bomen in het paradijs. Ook die ene laatste boom moest nog onderzocht worden. Niet zozeer om je buiten het bereik van God te begeven, maar in de hoop om God wellicht juist daar eindelijk te kunnen vinden. ‘Maar zie’ zegt Augustinus, ‘U was in mij.’

In onze lezing uit Genesis wordt verteld dat het lijkt alsof we uit het paradijs verdreven zijn. Augustinus maakt ervan, dat wij alsmaar weer het paradijs verlaten. De oorzaak van het kwaad is niet dat we slecht zijn, maar dat we ons kunnen verwijderen van onze goedheid. ‘Ik zocht u buiten.’ — Mens waar ben je? roept hij dan. ‘Keer terug naar je hart’, keer terug naar hoe goed en hoe gaaf je ten diepste gemaakt bent, keer terug naar waar je nog de hand van je Schepper kunt aanraken, keer terug naar het paradijs.

En net zoals Adam en Eva zich hebben laten verleiden, zo laat Augustinus zich verleiden: ‘Ik heb u geproefd, en ik honger en dorst naar u. U hebt mij aangeraakt, en ik brand van verlangen naar uw vrede.’ En precies zo laat God zich verleiden, vol hunkering en vol verlangen loopt God door de tuin van Eden en roept: mens waar ben je?

Ekkehard Muth, 5 juni 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Één reactie op Ik zocht u buiten

  1. Theo Thier schreef:

    Je hebt het weer mooi gezegd; waard om nog eens gelezen te worden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *