Iedereen is naar u op zoek

Marcus 1, 29-39

‘Iedereen is naar u op zoek’, zegt Simon tegen Jezus, maar wie zoeken ze eigenlijk? Wie zoeken wij eigenlijk? Vanochtend hebben we twee verhalen: ons evangelie, het verhaal van een succesvolle held; en onze eerste lezing, het verhaal van de absolute antiheld. De een wordt op handen gedragen, zijn fans liggen voor zijn deur, en de ander, Job, met een leven dat wegkwijnt in leegte, niemand kijkt naar hem om.

Het is theologisch altijd een beetje tricky om in een preek het oude en het nieuwe testament zomaar klakkeloos naast elkaar te leggen. Veel te snel krijg je namelijk dan de indruk dat het oude testament naar Jezus toegeschreven zou zijn. En dat klopt niet. Het nieuwe testament is niet de vervulling van het oude testament, en het oude testament kan heel goed op zich zelf staan.

Van de week overleed Nico ter Linden. En terwijl katholieken zich erop laten voorstaan dat zij niets van de bijbel weten, heeft Nico ter Linden de protestanten ervan bevrijd om de bijbel letterlijk te nemen. Daar kom ik zo nog op terug. En vooral heeft hij ervoor gezorgd dat we het oude testament niet meer door een christelijke bril lezen, maar dat we het lezen als een volwaardige heilige schrift op zich.

En dat is maar goed ook. Want als we op z’n katholieks vandaag gewoon het evangelie zouden lezen, dan krijgen we een verhaal dat ook in de ‘Privé’ zou kunnen staan. Jezus, die nieuwe rijzende ster, de mensen liggen idolaat op de stoep voor zijn deur, en alsmaar weer brengen ze nieuwe zieken aan om die door hem te laten genezen. En zelfs als hij voor dag en dauw het huis probeert te verlaten, dan nog hebben ze hem binnen de kortste keren weer gevonden en wordt hij opnieuw belaagd.

Misschien is dat voor even wel leuk, het christendom zou immers best een beetje meer glamour kunnen gebruiken. Maar is dat wel wat wij zoeken? — Natuurlijk zou je soms willen dat je met je zorgen en met je uitzichtloosheid even bij Jezus op de stoep kon liggen. En dan raakt hij je aan en zijn al je noden opgelost. Maar zo werkt het helaas niet. Vaak loopt je leven vast zoals het ook bij Job vastloopt. ‘Maanden van leegte’ rijgen zich aan elkaar. Weer zo’n lange avond alleen. Weer dat jullie alsmaar weer dezelfde problemen bespreken en er maar niet uitkomen. Geen lichtpuntje te ontdekken, de nacht van jullie zorgen duurt en duurt. En als je eindelijk in slaap valt, vraag je je af: ‘Wanneer sta ik weer op?’ en ‘Zal mijn blik ooit nog het goede aanschouwen?’

‘Iedereen is naar u op zoek’, zoeken we iemand die als een ster wat zieken geneest? Of zoeken we iemand die de leegte kent, en die het samen met ons uithoudt, ook als het eigenlijk niet meer uit te houden is? — Misschien moeten we vandaag niet het oude testament door de bril van het nieuwe testament lezen, maar andersom. Als we naar ons evangelie kijken door de bril van Job, dan krijgt Jezus pas de nodige diepte. Dan blijft hij niet alleen een bejubelde ster, maar dan wordt hij iemand die ook onze diepten kent. En hoe hij die diepten in zal gaan, daar zullen we in de komende veertigdagentijd weer bij stilstaan.

In zijn boeken ‘Het verhaal gaat’ heeft Nico ter Linden, ik zei het al, heel veel mensen geholpen om niet meer letterlijk tegen de bijbelverhalen aan te kijken, maar om ook naar de laag eronder te kijken. En die zou je in ons evangelie bijna over het hoofd zien: Het gebeurt namelijk allemaal in het huis van Simon. Dat lijkt op het eerste gezicht een betekenisloos detail, maar dat is het niet. Je weet wel, Simon, dat is degene tegen wie Jezus zal zeggen: ‘Voortaan zul je Petrus heten’. We hebben het twee weken geleden hier gelezen. Jij zult die steen zijn, de rots waarop ik mijn kerk zal bouwen. Het huis van Simon is dus al het beginnetje van de kerk. En wat betekent het dan voor ons als kerkgemeenschap als de mensen juist daar samendrommen?

En meer nog: Petrus, dat is ook de meest menselijke van alle leerlingen. Als Jezus over het water loopt, wil hij dat ook. Hij stapt over de reling en het lukt hem nog ook, totdat hem de moed toch weer in de schoenen zinkt en hij in het water plonst. En op Witte Donderdag zal hij nog roepen: ‘Al moet ik met u sterven, ik zal u niet verloochenen’, maar als de volgende ochtend de haan kraait, heeft hij Jezus al drie keer verloochend.

Net als onze beide lezingen de held en de anti-held beschrijven, zo is Petrus aan de ene kant de mens op z’n best, maar aan de andere kant is hij ook de mens in al zijn zwakheid. — En toch wordt hij Petrus, de rots waarop de kerk wordt gebouwd. En toch wordt zijn huis de plek waar iedereen naar Jezus op zoek is.

‘Iedereen is naar u op zoek’, zegt Simon Petrus tegen Jezus. — Is dat zo? Zoeken de mensen wel zo’n ster zoals die in ons evangelie wordt afgeschilderd, of zoeken ze ook degene, die net als Job weet van volhouden? En zoeken we nou Jezus, of zoeken we niet gewoon mensen die soms op hun best zijn, maar dan ook weer zwak. Mensen waarin Jezus oplicht, en mensen wier huis zomaar tot kerk kan worden.

Mogen we hem bij elkaar vinden, en moge hij zich door ons, met ons en in ons laten vinden.

Ekkehard Muth, 4 februari 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *