Het kleinste zaad

Mosterdzaad

Mosterzaad

Ezechiël 17,22-24, Marcus 4,26-34

Het mosterdzaadje is het allerkleinste zaad, zegt Jezus. Als hij dat nu zou zeggen, zou dat dan niet onmiddellijk een discussie uitlokken? Is dat echt zo? Is er echt geen kleiner zaadje? En er is vast iemand die zijn smartphone pakt (ik zou het zomaar zelf kunnen zijn) om te kijken hoe groot een mosterdzaadje nu precies is (het is erg klein) en of er misschien niet nog kleinere zaadjes zijn. (Waarschijnlijk zijn die er wel.) En je bent zo afgeleid dat je niet meer luistert naar wat Jezus eigenlijk wil zeggen.

Als Jezus, of een andere leraar uit zijn tijd, begint met woorden als “het zaadje van de mosterdplant is het kleinste van alle zaden,” wil hij geen biologische informatie geven. Hij wil iets verduidelijken en hij zegt ook wat: “Waarmee kunnen we het koninkrijk van God vergelijken?” Het koninkrijk van God! Het in Israël langverwachte koninkrijk. Het koninkrijk waarin Israël eindelijk zichzelf kan zijn, onder een koning onder God. En door welke gelijkenis stelt Jezus het voor? “Het is als een zaadje van de mosterdplant, het kleinste van alle zaden op aarde als het gezaaid wordt.”

Daar sta je dan, als toehoorder van Jezus, met die droom van het koninkrijk. Een mosterdzaadje, onooglijker kan het niet. Het geeft niet of het mosterdzaad nu wel of niet het kleinste zaad is. Als het koninkrijk zo klein is, maakt dat allemaal toch niets meer uit. Wat stelt zo’n koninkrijk nog voor? Niets, of bijna niets.

Maar Jezus is al verder gegaan. “Maar als het na het zaaien opschiet, wordt het mosterdzaad het grootste van alle planten” (en de biologen mogen nog even stil zijn) “wordt het het grootste van alle planten en krijgt het grote takken, zodat de vogels van de hemel in zijn schaduw kunnen nestelen.” En er zijn vast mensen die naar Jezus luisteren die zich de profetie van Ezechiël herinneren die we in de eerste lezing hebben gehoord: dat een twijg takken zal dragen en vruchten zal voortbrengen en een prachtige ceder zal worden, en in de schaduw van zijn takken zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn. Een mooie profetie, een mooie toekomstdroom voor Israël. Is dat wat Jezus bedoelt?

Aan het einde van het evangelie van vandaag staan wat moeilijke woorden. “Hij sprak alleen in gelijkenissen tegen hen, maar wanneer hij alleen was met zijn leerlingen, verklaarde hij hun alles.” Die woorden zijn een signaal dat er niet staat wat er lijkt te staan. En omdat wij de leerlingen van de leerlingen zijn, mogen we hopen dat wij iets van die uitleg hebben meegekregen. En dan weten we dat het koninkrijk waarover Jezus spreekt, een koninkrijk is niet voor de rijken en groten, maar voor de armen en kleinen. Dat het koninkrijk gestalte krijgt waar mensen goed doen aan elkaar. Waar zieken genezen en mensen elkaar vergeven. En ja, dat is klein. In de ogen van de groten, en misschien ook in in onze eigen ogen, is dat klein. Mosterdzaadjes-klein. Maar wie met Jezus meekijkt, ziet de takken van dat koninkrijk al groeien. Als je met Jezus meekijkt en oog hebt voor het goede, hoe klein en onooglijk ook, dan zie je het koninkrijk al groeien tot in de hemel.

Zo mogen we naar de wereld kijken en naar elkaar. Zo mogen we naar onszelf kijken. Open voor het goede, in de wereld, in de ander, ja, in onszelf. Hoe klein en onooglijk het ook is wat we zien, hoe onwaarschijnlijk de plaats, de persoon waar we het zien. Daar gebeurt het, daar is het koninkrijk gezaaid, daar groeit het. In de wereld, in de ander, in jouzelf.

Als we zo kijken, kijken we met de ogen van Jezus, kijken we met de ogen van God. God, de Vader, die kijkt naar zijn kinderen, dat onooglijke begin, en alles hoopt, alles verlangt, en liefheeft.

Karel Peijnenborg, 17 juni 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *