Het eerste kaarsje

Lucas 21, 25-28; 34-46 Eerste zondag van de advent

‘Tekenen aan de zon en de maan en de sterren’, ‘gebulder en geweld van de zee’ — vanochtend hebben we een heel ander teken hier in ons midden, vanochtend hebben we het eerste kaarsje aangestoken.

Hoe lang nog? Wanneer is het toch eindelijk zo ver? Die wereld zoals God die zich voorgesteld had, wanneer komt die nou eindelijk? Wanneer hoef ik toch niet meer te leven met die eenzaamheid sinds mijn geliefde is overleden? Wanneer houdt die pijn toch op en komt er misschien toch wat genezing aan mijn lichaam en aan mijn ziel? Hoelang duurt het nog dat ik gevangen zit in de aard van het beestje, in verhoudingen waarin we elkaar alleen maar in de tang houden, in de macht van de spoken uit het verleden? Wanneer komen we toch los van alleen maar dat geld, efficiency en marktwerking. Wanneer houdt het op met die borstklopperige heersers, met uitbuiting waardoor mensen massaal op drift raken. Wanneer krijgen we door dit alles heen toch weer meer oog voor wat ons overstijgt. Wanneer komen we weer aan het licht zoals we bedoeld zijn? Wanneer lukt het ons als kerkgemeenschap wellicht om verschil te maken? Hoe lang nog?

Je zou willen dat er tekenen aan de zon en de maan en de sterren zouden gebeuren. Je zou willen dat hemelse machten gingen wankelen, dat we met z’n allen zouden sidderen voor het gebulder en het geweld van de zee. Dat je zeker zou weten: nu gebeurt het, dat je zekerheid zou hebben over de toekomst, dat je de bevestiging zou krijgen: ‘Richt je op en hef je hoofd, want jullie verlossing is nabij.’

Maar in plaats daarvan steken we alleen maar een kaarsje aan. Een káársje wat zegt: richt je op en hef je hoofd, pas op dat je hart niet afgestompt raakt. Je zou misschien willen dat er van die krachtige kosmische tekens zouden gebeuren, maar die kracht zit wellicht heel ergens anders:

In onze eerste lezing uit Jeremia belooft God: ‘de dag zal komen, dat ik de belofte die ik het volk van Israël en Juda heb gedaan, gestand zal doen.’ En dan volgt een wat wonderlijke verhandeling over een ‘rechtmatige telg die ontspruit aan Davids stam’. Met kerst zullen we weer horen dat Josef en Maria op weg gaan ‘naar de stad van David die Bethlehem heet, aangezien hij van David afstamde’. En de engel zal tegen de herders zeggen: ‘vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren.’

De legendarische koning David is zelf een nakomeling van aartsvader Abraham. En onder zijn bewind beleefde het oude Israël zeg maar zijn gouden eeuw. Het was een tijd van vrede, van gerechtigheid en van welvaart. Sindsdien heeft zich de tijd van David is in ons gemeenschappelijk geheugen genesteld als een tijd waarin het koninkrijk van God al bijna werkelijkheid was geworden. Nooit eerder was de verlossing zo nabij.

Of David inderdaad zo’n lieverdje was, is nog maar de vraag, maar waar Jeremia in onze eerste lezing op zinspeelt is dat de redding van begin af aan ingebakken zit in onze genen. Dat God mens wordt begint al bij Adam en Eva, bij aartsvader Abraham via David tot Jezus. Dat God mens wordt is niet alleen een geloofsartikel, nee het wordt lichamelijk aan ons doorgegeven van generatie op generatie.

Daar doelt ook Augustinus op met zijn beroemde uitspraak: ‘Keer terug naar je hart’. Keer terug naar waar God aan jou is doorgegeven, waar hij in jou lichaam en bloed wordt.

En ‘pas op dat je hart niet afgestompt raakt’, pakt Lucas de draad weer op. Laat het niet zover komen dat je alleen nog maar door tekenen aan de zon en de maan en de sterren wakker geschud kunt worden. Wees waakzaam! Laat je niet vermurwen door je eenzaamheid of door je ziekte. Laat je niet verdoven door dat je alsmaar weer in dezelfde valkuilen trapt. Ga er niet aan wennen dat alles door geld en meetbare resultaten wordt uitgedrukt. Laat je niet in slaap sussen door ‘zo is het nou eenmaal’. Nee, wees waakzaam. Pas op dat je hart niet afgestompt raakt, maar keer terug naar je hart. Blijf kijken waar God in jou mens kan worden.

Richt je op en hef je hoofd. Het is al begonnen. Net als het licht van ons eerste kaarsje het grote licht van God in zich draagt, zo draag jij het in je dat God ook in jou mens kan worden. Pas op dat je hart niet afgestompt raakt, laat je niet overweldigen door alles wat het licht wil verduisteren. Laat de zon en de maan en de sterren maar wankelen en keer terug naar je hart, keer terug naar waar God in jou al mens aan het worden is.

Richt je op en hef je hoofd. En steek een kaarsje aan.

Ekkehard Muth, 2 december 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *