De dubbel-gelovige Tomas

Foto: jayneandd

Johannes 20, 19-31

We noemen hem altijd ‘de ongelovige Tomas’, maar dat is niet terecht. Want eigenlijk zouden we hem ‘de dubbel-gelovige Tomas’ moeten noemen. Tomas betekent ‘tweeling’, en inderdaad is het hier alsof er twee Tomassen zijn: De ene Tomas, dat is de leerling en trouwe volgeling van Jezus. En de andere Tomas, dat is de man van de wereld. Terwijl de andere leerlingen zich binnen opgesloten hebben, terwijl zij zich naar binnen gekeerd hebben, loopt hij alweer buiten. En hij is de man van de feiten: ‘alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan leggen, zal ik het geloven.’

Soms denken wij dat ónze tijd geseculariseerd is, maar dat was toen blijkbaar ook al zo. En blijkbaar ging het toen ook al om feiten en om geld, om meetbare en tastbare resultaten. Tegenwoordig hebben wij soms ook het gevoel dat we ‘tweeling’ zijn. Want aan de ene kant komen we hier regelmatig bij elkaar om ons te laten optillen door de vergezichten. Maar aan de andere kant leven we gewoon in onze samenleving waar het om de materie draait. Het gaat om feiten, marktwerking en het tastbaar stoffelijke. En alles wat het materiële en meetbare overstijgt, wil daar gewoon niet zo goed in passen; velen denken dat het er dan ook gewoon niet is. — Je moet haast een ‘tweeling’ zijn om je in beide werelden te kunnen bewegen.

Een tweeling zijn we ook als we kijken naar wat we met Pasen gevierd hebben en wat ook vandaag op beloken pasen nog doorklinkt, namelijk: dat je bestemd bent om op te staan, dat je verrijst. Dat is vaak niet te rijmen met wat we in de werkelijkheid meemaken. Je loopt misschien vast in alsmaar weer dezelfde patronen, alsmaar weer dezelfde ruzies en jullie komen alsmaar geen stap verder. Hoe zou het toch zijn om hieruit op te staan? Of wat je in het verleden is aangedaan heeft je zo gevormd dat je er dag en nacht last van hebt. Hoe graag zou je toch willen opstaan tot een nieuw leven? Of je bent ziek, en eigenlijk ben je alleen nog maar aan het inleveren. Je hoopt op het wonder van de opstanding. Of je raakt een beetje burn-out omdat het op je werk alleen gaat om de tastbare dingen, je moet productie draaien, meetbare resultaten leveren, het moet geld opleveren. En voor de mens zelf is er geen aandacht, laat staan voor het overstijgende. Alles in jou schreeuwt naar opstanding.

Dan wil je dat eindelijk ook eens de andere helft van de tweeling, de andere helft van jou weer aan bod komt. Dat we ons niet zoals de leerlingen binnen in onze kerk moeten opsluiten om het lekker met elkaar over de verrijzenis te kunnen hebben. En dat we de verrijzenis, omdat die maar niet in de wereld van de feiten wil passen, niet van lieverlee doorschuiven naar het einde van ons stoffelijk bestaan. Maar dat de beide helften van de tweeling bij elkaar komen, zoals tweelingen nou eenmaal constant in contact met elkaar zijn.

En gelukkig gebeurt dat ook vaak genoeg. Op je werk kan je opeens toch een andere koers inslaan. En misschien mogen jullie door je ziekte toch momenten met elkaar delen waar jullie soms heel even het gevoel hebben dat jullie verrijzen. Plotseling lukt het je toch om je verleden geen grip meer te laten hebben op je leven. Misschien niet altijd, maar toch maak je momenten mee waar je verrijst. En op een gegeven moment krijg je het toch voor elkaar om uit je ingesleten patronen te stappen. Komt er opeens een wending in jullie verhouding. Lukt het jullie om elkaar niet langer meer in de tang te houden maar om te verrijzen.

Dan is het alsof je tweelingbroer, je tweelingzus weer terug is. De wereld van de feiten, en de wereld van het overstijgende komen bij elkaar. Of laat ik het anders zeggen: in ons stoffelijk bestaan raken we aan de eeuwigheid; de verrijzenis tilt ons hier en nu al op.

De tweede keer dat Jezus aan de leerlingen verschijnt is Tomas, de tweeling weer terug. Hij brengt de ‘buitenwereld’ mee naar de ‘binnenwereld’ achter die gesloten deuren en luiken waar de anderen zich opgesloten hadden. En Jezus komt binnen, maar hij zet op zijn beurt de stap naar buiten, naar de wereld van de feiten: ‘Leg je vingers hier’, zegt hij, ‘en kijk naar mijn handen, en leg je hand in mijn zij.’

Tomas antwoordt: ‘mijn heer, mijn God.’ En ik zei het al aan het begin: we doen hem onrecht. Het is niet zo dat Tomas alleen maar gelooft wat hij ziet, nee, hij wil ook zien wat hij gelooft. Dat zijn de beide helften van de tweeling. Ons leven hier en nu en de eeuwigheid raken aan elkaar. De verrijzenis tilt ons ook in ons stoffelijk bestaan al op. — Mogen we op die manier een dubbel-gelovige Tomas zijn.

Ekkehard Muth, 8 april 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *