Dat ik weer kan zien

Marcus 10, 46-52 Jeremia 31, 7-9

Een tijdje geleden had ik het met vrienden over software, dus over programma’s voor je computer. Als je vroeger software aanschafte kreeg je in de winkel nog zichtbaar een flinke doos. Die nam je in je boodschappentas mee naar huis. Je had echt iets aangeschaft. Dat er dan thuis bij het uitpakken alleen maar een piepklein cd’tje tevoorschijn kwam, was tot daar aan toe, maar je had het gevoel dat je zichtbaar waar voor je geld had gekregen. Maar tegenwoordig heb je bij de aanschaf van software helemaal niets zichtbaars meer in de hand. Je betaalt per internet bankieren, dus je ziet niet eens meer je geld, vervolgens krijg je een link toegestuurd en als je daarop klikt staat het programma op je computer.

Tijdens dat gesprek liet ik mij ontvallen dat ik daar toch moeite mee had. Ik vind het moeilijk, zei ik, dat ik moet betalen voor iets dat niet zichtbaar is. Toen werd ik uitgelachen! Dat uitgerekend jij dat zegt. Wat je op zondag staat te vertellen, hoe zichtbaar is dat dan?

En inderdaad, als je gelovig bent dan ben je bezig met dingen die niet zichtbaar zijn. Althans niet zichtbaar met het blote oog. En dat gooit in onze huidige samenleving geen hoge ogen. Hoewel: we vertrouwen steeds meer op onzichtbare computerprogramma’s. Die sturen inmiddels treinen aan en vliegtuigen, zelfs auto’s. Onzichtbare programma’s zorgen voor doorstroming op snelwegen en voor veiligheid op de intensive care of bij ingewikkelde industriële processen. Onzichtbare programma’s bepalen ook wat we op Facebook te zien krijgen en dat we bij het internetten vooral websites tegen komen die onze eigen mening ongemerkt bevestigen. Maar als je het ons vraagt vertrouwen we toch liever op de dingen die zichtbaar zijn, tastbaar en maakbaar. We houden ons liever bij de feiten. Voor dingen die alleen met het geloof zichtbaar zijn is er steeds minder animo. Volgens de nieuwste cijfers is niet eens meer de helft van alle Nederlanders lid van een religieuze organisatie.

Daar hadden de mensen om Jezus heen ook al last van. Ze snauwen Bartimeüs toe dat hij zijn mond moet houden. Jezus is op het hoogtepunt van zijn missie. Van heinde en verre komen de mensen af op zijn boodschap van een nieuwe wereld. En dat laten ze liever niet verstoren door zo’n schreeuwende minkukel. Hoe ziet dat eruit, dat is toch geen gezicht.

Maar Jezus blijft staan, ‘Roep hem,’ zegt hij. En degenen die net nog tegen hem snauwden, kloppen hem nu op de schouders: ‘Houd moed, sta op, hij roept u.’ — Want opeens ziet het er toch naar uit dat Jezus een wonder zal laten zien. Nu zal die boodschap eindelijk echt zichtbaar worden. Nu zal iedereen het met eigen ogen kunnen zien. — Maar opnieuw gaat het anders. Jezus vraagt eenvoudig: ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’ En het antwoord is net zo eenvoudig: ‘Dat ik weer kan zien.’

En nu zou je hier een spectaculair gebeuren verwachten. En de omstanders van Jezus verwachten dat dus ook. Grote gebaren, een theatrale handeling, of op zijn minst een dramatische aanroeping van Gods hulp. Alsjeblieft iets! Iets wat tastbaar is, grijpbaar, zichtbaar. In een ander evangelie spuugt Jezus nog op de grond en smeert die pap op de ogen van de blinde. Zoiets. Maar hier gebeurt helemaal niets. Jezus zegt alleen: ‘Ga heen, uw geloof heeft u gered.’

Je geloof, ook al kan je niet goed zien wat je gelooft. Je geloof in dat er meer is dan je kunt zien. Je geloof, al zijn je ogen nog zo goed, dat er een wereld in het verschiet ligt waar je ogen en oren tekort komt.

Op die manier ‘ziet’ Jeremia ook: ‘Juich van vreugde, zing: De Heer heeft zijn volk gered. Uit het noorden keren ze terug, ik breng ze samen van de einden der aarde. Ook blinden en lammen komen mee, in dichte drommen keren ze terug. Ik breng hen naar stromende beken en voer hen over geëffende wegen.’ Vergezichten die niet zichtbaar zijn, maar in het geloof zie je het wel voor je.

Maar zo verheven hoeft het niet, je kent het ook van jezelf: je hoeft de ander maar tegen te komen, aan de buitenkant is niets te zien, en toch ‘zie’ je dat hij met iets in z’n maag zit. Je hebt maar aan een half woord genoeg, of je ziet al wat de ander bedoelt. Of als de ander zo ziek is dat de wereld alleen nog maar bestaat uit ellende en pijn, en het lukt jullie toch om te zien dat de zieke meer is dan zijn ziekte. Of als je het helemaal niet meer ziet zitten; het verdriet is te groot, dat wat je aangedaan is, is zo overweldigend zwaar, dat wat je te doen staat een onmogelijke opgave is, en toch lukt het jou om te zien dat je meer bent dan dat. Toch lukt het je om te zien dat je ondanks dit alles bestemd bent voor het licht. Het is niet te zien, maar opeens zie je het wel.

Dat gebeurt hier ook. Er gebeurt niets zichtbaars, maar Bartimeüs kan wel weer zien. ‘Wat wilt u dat ik voor u doe?’, ‘Dat ik weer kan zien.’ — Dat wij weer kunnen zien, telkens weer opnieuw. Zo moge het zijn.

Ekkehard Muth, 28 oktober 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

1 Reactie naar Dat ik weer kan zien

  1. Theo Thier schreef:

    “Ons geloof heeft ons gered”,
    …zeggen we over jaren, als we het hebben over de moeilijke jaren van de Boskapel van toen…

Geef een reactie