Brood uit de hemel

1 Koningen 19, 4-8; Johannes 6, 41-51

Je loopt er zeker niet mee te koop, en meestal heb je het niet eens door: maar hoe vaak ben je niet voor een ander ‘brood’ geweest. Misschien zelfs ‘brood uit de hemel’? — Dat kan toch helemaal niet, zal je misschien zeggen, ik ben toch gewoon de zoon, of ik ben toch gewoon de dochter van mijn ouders, en dat waren toch ook maar gewoon mensen. En toch ben je voor een ander waarschijnlijk vaker brood uit de hemel dan je denkt.

Voor je geliefde of voor je kinderen, voor je buren, noem maar op. En als je dat teveel eer vindt, kijk dan maar wie er in jouw omgeving voor jou brood is, voor jou brood uit de hemel?

De joden protesteren, wordt in het evangelie verteld, ‘Dat is toch Jezus, de zoon van Joseph. We weten toch wie zijn vader en moeder zijn? Hoe kan hij dan zeggen dat hij uit de hemel is neergedaald?’

Voor Johannes, de mysticus van de vier evangelisten, is dit geen enkel probleem. Natuurlijk kan je allebei zijn: kind van gewone ouders én brood uit de hemel. Jezus is de zoon van de timmerman Jozef en van Maria, én hij is de zoon van God. Hoe anders moet er iets van God in deze wereld terecht komen als we niet voor elkaar als God zijn. ‘Eer in elkaar God’ schrijft Augustinus in zijn regel, eer in elkaar God, want ieder van u is zijn tempel geworden.

In de nieuwste uitgave van het tijdschrift Klooster! gaat het om gastvrijheid. Gasten moet je ontvangen alsof ze Christus zelf zijn. Deze regel van Benedictus komt uit dezelfde koker als het ‘eer in elkaar God’ van Augustinus. En de cisterciënzergroep Sion, dat zijn de nieuwe bewoners van het klooster Sion in Diepeveen, geven in dit nummer daarvoor maar gelijk drie oefeningen: 1) Stel je voor dat je Jezus aanspreekt bij een gewone ontmoeting die je binnenkort hebt. 2) Voor dat je naar een klooster belt om te vragen of je terecht kunt, stel je voor dat je zo dadelijk Christus aan de lijn krijgt. Bel dan pas op. En 3) als je iemand kent die daarvoor openstaat, kun je afspreken om elkaar op deze manier te bejegenen. Een uur lang met elkaar omgaan alsof de ander Christus is.

Is dat niet wat wij ook in onze viering doen op zondag: gewoon een uur lang met elkaar omgaan alsof de ander Christus is. Een uur lang ‘eer in elkaar God’. Een uur lang samen zijn tempel zijn zodat God door jou en door de ander aanwezig kan zijn. — En dan hopen we dat we dat ook na de viering nog een poosje vol kunnen houden. Misschien dat het zelfs zijn neerslag krijgt in de hele samenleving, wie weet.

Wanneer ben jij voor het laatst brood uit de hemel geweest? Of wanneer was iemand anders voor jou brood uit de hemel? Misschien is het degene die alsmaar voor jou blijft zorgen omdat je ziek bent? Die het met je uithoudt, ook al houd je het met jezelf niet eens meer uit? Of misschien is het degene die jou als brood blijft zien, terwijl jezelf denkt dat je geen kruimel meer waard bent.

Soms ben je ook uitgekotst net als Elia. De mensen die kwaad over je spreken krijgen alsmaar meer gehoor. Wat je ook doet, het is niet goed of het deugt niet. Er rest je alleen maar nog om onder een bremstruik te gaan zitten en ernaar verlangen dat het afgelopen moge zijn. Maar opeens is er iemand die versgebakken brood voor jou neerzet. Je hebt het niet eens door, je wordt wakker van de heerlijke geur, en je eet. Maar de situatie is zo vastgelopen dat je opnieuw onder de struik gaat liggen. Totdat er opnieuw brood voor jou is. ‘Sta op en eet wat, anders is de reis te zwaar voor je.’

(Wat voor brood hebben we als kerkgemeenschap nodig om de goede stappen naar de toekomst te zetten? En kunnen we niet dit brood voor elkaar zijn?)

Gewone mensen om je heen, die voor jou brood kunnen zijn. En door deze mensen God zelf die voor jou brood is uit de hemel. En dan ga je, je lijkt Elia wel, en loop je veertig dagen en nachten door heel je woestijn, tot aan de berg van God. Daar ontdek je, dat je ondanks wat er dan ook aan de hand is brood voor elkaar kunt zijn, dat jullie dichter bij elkaar komen dan ooit. Daar merk je wat voor brood je voor de ander bent ook al had je al lang alle geloof in jezelf verloren.

Net nog zat je onder de bremstruik, maar nu zie je dat je meer kunt dan je ooit had gedacht. Net nog was je bang omdat je alleen nog maar woestijn zag, maar nu ben je bij de berg van God. Net nog ging je weer liggen omdat niemand meer fiducie in je had, maar nu heb je de woestijn overwonnen en zie je vergezichten die je niet had kunnen dromen. Net nog dacht je: de koek is op, maar nu blijk je zelf brood uit de hemel te zijn.

‘Dat is toch Jezus, de zoon van Jozef?’ Je bent toch maar kind van gewone ouders? En toch. Misschien moeten we het maar gewoon oefenen: Als je iemand ontmoet, stel je voor dat die ander voor jou brood wil zijn. Als je met iemand spreekt, een email stuurt, opbelt, stel je voor dat jij voor de ander brood bent. Of, zoals we het in de viering doen, een uur lang met elkaar omgaan alsof de ander brood uit de hemel is.

Sta op en eet, brood uit de hemel.

Ekkehard Muth, 12 augustus 2018

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *