Voor wat hoort wat?

Matteüs 20, 1-16 25A

Ben je het ook eens met de arbeiders die hun beklag doen? We vinden het waarschijnlijk allemaal vanzelfsprekend dat je voor meer werk ook meer loon dient te krijgen. Dat is het verraderlijke aan onze lezing: hier wordt namelijk duidelijk dat wij als vanzelf in economische termen denken. Voor wat hoort wat, voor minder hoort minder en voor meer hoort meer. Die vanzelfsprekendheid, dat we dat zomaar normaal vinden — dat wordt hier blootgelegd.

We denken eerder in ‘denaries’ dan in mensen of ideeën. We vinden het normaal dat de regeringsplannen op de derde dinsdag van september met een geldkoffertje gesymboliseerd worden. Uiteraard moet er geld zijn, maar door het over de ‘miljoenennota’ te hebben beginnen we bij het geld en niet bij de ideeën. Natuurlijk is er ook de troonrede waar de koning spreekt over de intenties en over de waarden die we met elkaar delen. Maar die was dit jaar opvallend kort. En algauw versmalt de discussie zich weer tot de cijfers. En voor dat we er erg in hebben kijken we niet meer naar de troonrede, kijken we niet meer naar wat we met z’n allen willen en hoe we willen leven, maar staren we alleen nog maar naar de schatkist. En dat vinden we dan nog normaal ook.

Stel dat we eens niet bij het geldkoffertje zouden beginnen maar bij wat goed zou zijn. — Begrijp me goed: natuurlijk komt ook bij de landheer geld op tafel. Hij betaalt het afgesproken loon. Maar dat is dus niet zijn vertrekpunt. Zijn vertrekpunt is de goedheid en alles wat hij daarmee wil oproepen. — Stel dat farmaceuten niet bij het uitzicht op verdiensten beginnen maar bij het willen helpen van mensen. Stel dat ziekenhuizen zouden kunnen beginnen bij het willen zorgen voor patiënten en niet bij het winst moeten maken. Stel dat we beginnen bij wat we onze kinderen willen meegeven en niet bij wat het onderwijs dan gaat kosten. Stel dat we ons op de derde dinsdag van september niet gelijk op het geldkoffertje zouden storten maar vooral op de troonrede. Stel dat we net zo uitgebreid als over de financiën het zouden hebben over hoe we in goedheid kunnen samenleven.

Het lijkt een heel andere wereld, in ons evangelie maken de arbeiders van het eerste uur zich er dan ook kwaad over. Maar de landheer vraagt: ’zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Naast de denarie’s, naast het ‘voor wat hoort wat’ zet hij zijn ‘goedheid’. Naast wat wij onderhand normaal zijn gaan vinden wijst hij naar een volstrekt andere wereld.

Ik ga u nu niet lastig vallen met vakantieverhalen, maar we zijn op vakantie in Bourgondië geweest. In Nederland denkt je bij Bourgondië al gauw aan zo’n andere wereld, je denkt aan bourgondisch leven, een leven zo vol en rond als de bourgondische wijnen. Maar naast de lekkere wijn beseften we vooral dat we in de streek waren beland die de bakermat was van het christendom in West-Europa. Cluny, Fontenay, Vézelay en hoe die plekken allemaal heten, met daar tussenin ook Taizé waar in onze tijd opnieuw zoveel inspiratie van uitgaat.

En dan bekijk je de ruïnes, maar vooral ook de behouden gebleven kerken en abdijen, in de zogenaamde ‘cluniacensische’ stijl. Gebouwen, sober zonder tierelantijnen, krachtig, massief en licht tegelijk, rauw en tegelijkertijd verfijnd. In hun zwaarte ervaar je het licht des temeer; en door hun aardsheid benadrukken ze juist de hemel. Ze hebben iets oers, ze brengen je terug naar het oer van je leven, naar je oorsprong, naar God.
Is dat het andere waar de landheer naar verwijst? Niet onze gewone manier van leven, onze gewone manier van tegen de dingen aankijken. Maar je weer verbinden met wat je ten diepste draagt. ‘Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?’ Je weer verbinden met goedheid, met wat je diep in je hart wilt. Dat je vertrekt vanuit je oorsprong. Dat je je niet richt op die denarie uit ons evangelie maar op je bestemming.

En eigenlijk doen we dat ook al op veel gebieden. Bij je kinderen en kleinkinderen denk je helemaal niet ‘voor wat hoort wat’, integendeel: voor hen is je niets teveel. In je relatie sta je ook niet te rekenen of de ander wel voldoende terugdoet. Natuurlijk moet de container buitengezet worden en moet er schoongemaakt worden, maar daar hangt jullie liefde niet vanaf. En als je de mantelzorg op je genomen hebt, denk je al helemaal niet meer in termen van dienst en wederdienst. Je doet het uit goedheid, om wat je met elkaar deelt, uit liefde, en gewoon omdat de ander nou eenmaal waardevol is.

En ook hier in de kerk. Natuurlijk hebben we ook geldzorgen. Er moeten heel wat ‘denaries’ bij; niet om geld te hebben, maar om met elkaar een plek open te houden waar het juist niet om geld gaat.

Dat we met elkaar blijven proeven aan het leven dat het aardse en het economische overstijgt. Dat we ons richten op goedheid en liefde, dat we mogen gaan voor een leven zonder eersten en laatsten. Dat ‘voor wat hoort wat’ verandert in een leven waar God in mensen oplicht.

Ekkehard Muth, 24 september 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie