Van binnenkant naar buitenkant

Matteüs 21,28-32

Afgelopen zondag werd in de Nacht van de Theologie Claartje Kruijff uitgeroepen tot de nieuwe Theoloog des Vaderlands. De feestavond werd ingeleid door Freek de Jonge, en hij legde de vinger meteen op de zere plek. Ging het 500 jaar geleden Luther nog om de bijbel als richtsnoer voor het leven, tegenwoordig is de mens zijn eigen richtsnoer. En om dat te verduidelijken had hij een nieuwe tekst gemaakt op het lied ‘Wat de toekomst brengen moge’.

Dat lied is misschien wel het meest protestantse lied wat je kunt bedenken en aan zoetsappigheid doet het niet onder voor ‘Stille nacht’. Tegelijkertijd kon Freek de Jonge nergens anders die verschuiving van God naar mens beter duidelijk makken dan met dit lied. ‘Wat de toekomst brengen moge, mij geleidt des Heren hand’, of verder op: ‘neem mijn hand in uwe handen en geleid mij als een kind.’ en aan het eind: ‘Waar de weg mij brengen moge / aan des Vaders trouwe hand / loop ik met gesloten ogen / naar het onbekende land.’ Dit lied is het toonbeeld van totale overgave op het kinderlijke en naïeve af.

Of dat nu zo protestants is, weet ik niet, maar in bepaalde kringen wordt het inderdaad zo beleefd; alles, maar dan ook alles ligt in Gods hand.

Om te laten zien waar we ons vertrouwen tegenwoordig op richten, maakte Freek de Jonge de volgende tekst: ‘Wat de toekomst brengen moge / ‘k vertrouw op de verzorgingsstaat.’ Of in een ander couplet: ‘Ik kan het lot niet accepteren / daarvoor heb ik geen geduld / Mocht het mij ergens aan ontberen / krijgt de ander daarvan schuld / Ik doe het goede, mijd het kwade / tot ik niet meer leven wil / krijg bij wijze van genade / mijn voltooidlevenseindepil.’ —

Legde je vroeger nog weleens iets in Gods hand, tegenwoordig willen we alles zelf in de hand houden. En als dat niet meer kan, omdat het bijvoorbeeld te zwaar wordt, of omdat je nou eenmaal niet alles wat op je pad komt kunt sturen, dan stappen we er gewoon uit. Met als gevolg dat ook anderen niet meer opgezadeld worden met bijvoorbeeld mantelzorg of met hoge zorgkosten. En we hoeven ons ook niet meer het hoofd te breken over moeilijke vragen zoals bijvoorbeeld: is mijn leven niet ook dan nog zinvol als het voltooid is?

Misschien is het niet zozeer een verschuiving van vertrouwen op God naar vertrouwen in onszelf. Het is meer een verschuiving van de binnenkant naar de buitenkant; van het spirituele naar het materiële, van het overstijgende naar het platte hier en nu.

Paul de Blot heeft het twee weken geleden in zijn voordracht hier in de Boskapel vergeleken met een ijsberg. Van de ijsberg is maar 10% zichtbaar. De andere 90% blijft volstrekt onzichtbaar. Wat je in dogma’s en kerkelijke regels kunt vatten, dat is maar 10% van het geloof; dat kan je zichtbaar maken. Maar 90% blijft gewoon geloof en spiritualiteit, het blijft een zaak van het hart. — Die verschuiving van vertrouwen op God naar vertrouwen in de mens, die verschuiving van de binnenkant naar de buitenkant, dat is ook een verschuiving van die 90% onder water naar die 10% boven water. Tegenwoordig nemen we genoegen met die 10% boven water en gooien de 90% over boord.

De hoge priesters, de oudsten en de farizeeërs zijn in gesprek met Jezus. Zij kennen het geloof van buiten. En dat kan je rustig letterlijk nemen. Het zijn de mensen van de leer, van het instituut. Zij hebben van wat vage geloofsvoorstellingen een sluitend dogmatisch systeem gemaakt. En van een geloofsbeweging hebben zij een synagoge of kerkelijk instituut gemaakt. Van die grillige en onzichtbare deel van de ijsberg onder water hebben zij een keurig strak en stralend wit gedeelte boven water gemaakt.

En nu voelen zij Jezus aan de tand, die Jezus die alsmaar weer naar de diepte verwijst. — Maar Jezus vraagt terug: de ene zoon zegt nee, maar uiteindelijk gaat hij toch aan het werk, en die andere zoon zegt ja, maar hij gaat dan toch niet. Wie van die twee zonen heeft nu de wil van de vader gedaan?

Dat keurig stralend witte deel van jullie geloof dat jullie zichtbaar maken en dat jullie in dure belijdenissen uitstallen, daarmee kom je er niet. Met alleen de buitenkant raak je gauw uitgehold en leeg. Met alleen dat deel dat je zelf in handen kunt houden, kan je het leven niet aan. Je hebt die 90% onder water nodig die jou dragen. Je kunt het vaak niet zien, en toch ervaar je hoe je erop kunt drijven. Je hebt geen idee welke vorm het heeft en je kunt ook niet bevatten hoe het eruit ziet, maar het draagt en stuwt je wel door de golven en stormen heen.

Dat protestantse liedje ‘Wat de toekomst brengen moge’ houdt wel die hele ijsberg onder water. Maar om dan genoegen te nemen met die 10% boven water? ‘Tollenaars en hoeren zijn u voor bij het binnengaan van het koninkrijk’, zegt Jezus. Zij hebben weliswaar geen stralend witte gepolijste buitenkant zoals de farizeeërs en schriftgeleerden, maar wel een binnenkant, een onderkant die hen draagt. Tollenaars en hoeren — we zijn in goed gezelschap.

Ekkehard Muth, 1 oktober 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie