Staren naar de hemel

Handelingen 1,1-11

Als Jezus verdwenen is, staan de apostelen naar de hemel te staren. Ze zijn Jezus kwijt. Maar dan verschijnen er twee mannen in witte gewaden die hen corrigeren: hun hoop ligt niet in de hemel, maar op aarde.

Voor veel mensen die rouwen, die een geliefde verloren hebben, kan die raad nog te vroeg komen. Ze kijken in een leegte. Ze zien alleen de plek die hun geliefde, hun man, vrouw, kind, zus, broer, vriend, vriendin, innam. Maar daar is niets meer te zien. Ze proberen te kijken, te zien, waar die persoon heengegaan is. Maar er is niets te zien. Alleen de leegte. Alleen het verdriet. Zeker als het verdriet nieuw is. Zeker als het verlies onverwacht was, of zelfs schokkend. Dan schieten alle woorden en daden van troost tekort, al zijn ze toch ook welkom. En dit geldt niet alleen bij een overlijden, maar ook bij andere vormen van verlies.

Rouwende mensen helpen kan eigenlijk niet, of nauwelijks. Ja, je kunt proberen er voor ze zijn. Naar ze luisteren, mee proberen te kijken naar het gat in hun leven, naar het gat in hun wereld. Als je zelf verlies gekend hebt: je je eigen pijn herinneren, misschien delen. Van ze houden. Maar elk verlies is persoonlijk, anders, nieuw.

Hemelvaart komt 40 dagen na Pasen. 40 is het getal van een periode die rond is, een reis van 40 jaar, een inkeer van 40 dagen in de woestijn. Geen afgemeten periode, zo en zo lang, maar een weg, een reis die tot het einde begaan is. Dat zie je ook aan de verhalen rond Jezus’ opstanding: elementen uit Hemelvaart en Pinksteren duiken in de verschillende evangelies op heel verschillende tijden op, zelfs vlak na de opstanding. Het gaat niet om een meetbare, afgemeten tijd, om een precieze volgorde. Het gaat om een afgeronde periode. Een periode die aan afronding toe is.

En pas na die periode krijg je energie, de mogelijkheid, om om je heen te kijken. En in je verlies, dat blijft, weet je ineens: ik kijk wel naar de plek waar hij, zij verdwenen is, maar ik kan ook om me heen kijken. “Waarom sta je naar de hemel te kijken?” Je hoort weer stemmen uit de wereld om je heen. Eerst als een wonder, een nieuw begin, door alle pijn. En je staat op uit je verdriet. Dat blijft, het verdriet zal niet verdwijnen, maar je staat op en gaat verder. Pasen en Hemelvaart liggen dicht bij elkaar.

Je staat op uit je verdriet. Je hield van de degene die je bent kwijtgeraakt. Het was de liefde die je vast liet lopen in je verlies. Het is die liefde die je nu verder helpt. De liefde die je weer op de wereld richt, op de mensen. Je kunt weer ingaan op de liefde om je heen. De wereld wordt weer wijd en licht. Je vindt de liefde terug in je eigen hart. De liefde die je optilt, die je opricht. Het verdriet blijft, maar de liefde is sterker. Het verdriet maakt je zwaar, maar de liefde maakt je licht. De liefde maakt je licht, met verdriet en al. En de opwaartse kracht van de liefde heeft geen richting, zoals de 40 dagen geen tijd kennen. Je gaat omhoog langs de wegen van je hart, zegt Augustinus. Een levenslange reis. Als je die wegen volgt, geleid door de liefde, dat geschenk van God, ga je “omhoog”. In een preek over hemelvaart heeft Augustinus gezegd: Christus is afgedaald, zodat wij konden opstijgen. Onze inzet voor het goede zal ons onze plaats geven en we zullen niets anders meer willen dan daar voorgoed blijven.

Of, zoals Augustinus zegt in een preek: De kinderen van God onderscheiden zich alleen door de zusterlijke en broederlijke liefde. De liefde is het grote kenmerk. Onderzoek uzelf, broeders en zusters, om te weten of precies daarin tot uiting komt dat u uit God geboren bent.

Amen

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *