Over één nacht ijs

Matteüs 5, 1-12 / Sef 2, 3; 3, 12-13

In de kerk kennen we een leesrooster. Daar staat voor elke zondag min of meer voorgeschreven welke lezingen we moeten lezen. De bedoeling is aan de ene kant dat we daardoor wereldwijd met elkaar optrekken. Maar aan de andere kant is het ook bedoeld om de parochies en gemeenten ervoor te behoeden dat hun voorgangers alsmaar weer hun eigen stokpaardjes berijden.

De lezingen van vandaag stellen mij echter in de gelegenheid om gelijk twee van mijn stokpaardjes te berijden, namelijk: het schaatsen en de rituelen.

Tot afgelopen vrijdagochtend kon het nog, schaatsen op natuurijs. Toen het ruim een week geleden begon te vriezen en de eerste waaghalzen het krakende ijs gingen verkennen, werden de mensen door een NOS-journalist gevraagd: “Waarom doe je dat toch?” Waar komt toch die drang vandaan om als het nog maar net kan het ijs op te gaan? Veel mensen konden dat niet goed onder woorden brengen. En het deed me dan ook denken aan de uitzendingen rond Allerzielen ‘Voor wie steek jij een kaarsje op?’ Daar kunnen de mensen ook niet zo goed aangeven wat dat kaarsje aansteken met hen doet.

En daarmee ben ik bij de rituelen. Rituelen zijn op het eerste gezicht onzinnige handelingen, maar ze helpen ons om om te gaan met het onzegbare. Ze maken tastbaar wat niet te vatten is. Herman Finkers zei in de uitzending van zijn Missa in mysterium op tweede kerstdag: rituelen zijn vormen om ‘omgang te hebben met het geheim.’ Dat vind ik dat een prachtige uitdrukking, ‘omgang hebben met het geheim’. Als je bij binnenkomst in de Mariakapel een kaarsje aansteekt, als we straks met elkaar brood en wijn delen, dan zijn we bezig met wat ons overstijgt. Dan hebben we omgang met het geheim. Met een duur woord noem je dat de transcendentie, letterlijk het overgaan naar het hogere, het naar buiten treden. Het tegenovergestelde is immanentie, dat betekent letterlijk binnenblijven, en daarmee bedoelen we het hier en nu en het stoffelijke.

Schaatsen heeft iets van transcendentie. Je blijft niet binnen, je blijft niet veilig aan wal, maar je treedt naar buiten, je begeeft je waar je anders nooit kunt komen. Vroeger was schaatsen de enige mogelijkheid om van je terp af te komen. Op het ijs kon je die leuke jongen of die mooie meid aan de overkant ook eens van dichtbij ontmoeten. Je kon naar buiten, naar de stad, naar de markt, andere mensen zien, een andere wereld verkennen, zonder daarvoor gelijk een ommelandse reis te moeten maken.

Op een andere plek in de bijbel wordt verteld dat Jezus over het water loopt. Als je schaatst dan loop je waar het eigenlijk niet kan. Ook op die manier treed je naar buiten. Het is alsof je overgaat naar een andere dimensie. En natuurlijk moet je niet over één nacht ijs gaan zoals de eerste waaghalzen. Maar in die andere dimensie blijf je altijd wel een waaghals. Waar het de transcendentie betreft ga je altijd over één nacht ijs.

In de bergrede roept Jezus ons het ijs op. De bergrede van Jezus lijkt namelijk op een ritueel. Het is een mantra-achtige bezwering: ‘Gelukkig, vroeger stond er nog: zalig, ben je… Gelukkig, zalig wie… Gelukkig, zalig zijn jullie…’ En met dit ritueel brengt hij ons weer in contact met wat ons overstijgt. Met dit ritueel laat hij ons overgaan naar de dimensie die ook bij ons leven hoort. Jullie zijn niet alleen maar immanente wezens, mensen dus, die alleen maar binnen blijven, veilig aan wal. Nee, jullie treden ook naar buiten, naar de transcendentie. Jullie leven niet alleen in het hier en nu en in het stoffelijke, nee, jullie hebben ‘omgang met God’. Zalig zijn jullie.

We zeggen wel eens dat, het geloof, dus de omgang met God, ons met de paplepel is ingegoten. In het Duits ga je zelfs nog een stapje verder terug, daar krijg je het geloof namelijk al het met de Muttermilch, met de moedermelk binnen. Maar hier gaat Jezus nog een stapje dieper. Hij haalt hier naar boven wat God ons al bij de schepping heeft meegegeven. Namelijk, dat je omgang hebt met God. Jij bent zalig.

Nu zou je je kunnen afvragen: Hoe nederig ben ik eigenlijk? Treur ik wel genoeg? Hoe zachtmoedig ben ik, hoe groot is mijn verlangen naar gerechtigheid? Hoe barmhartig ben ik, hoe zuiver van hart? Ben ik wel een vredestichter en zou ik het nog wel volhouden als ik daarvoor vervolgd werd? — Maar dat is nou precies wat Jezus niet bedoelt. Want dan beperk je het weer tot het hier en nu. Het worden dan punten die je kunt afturven, punten om jezelf of de ander op af te rekenen.

Het gaat erom dat jouw omgang met God weer naar boven komt. Dat je het krakende ijs op durft door je nederig op te stellen. Dat je als je treurt er toch weer op uit durft te gaan. Dat je je op glad ijs durft te begeven door je zachtmoedig op te stellen. Dat je door rechtvaardigheid en barmhartigheid komt waar je anders nooit komt. Dat je vrede sluit, zoals je over het ijs tot elkaar kunt komen. Dat je zuiver van hart over glad zwart ijs mag denderen en zo wellicht iets van God mag zien.

Dat je dus niet binnen blijft, veilig aan wal, veilig in het hier en nu. Je bent zoveel meer. Maar dat je het erop waagt. Dat je naar buiten treedt, ook al ga je daarbij soms over één nacht ijs. Zalig ben je.

Ekkehard Muth, 29 januari 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie