Oplaaiend vuur

Lucas 24, 13-35 Handelingen 2, 22-32

Afgelopen zondag avond keken we thuis de laatste aflevering van Boer zoekt Vrouw, de ‘ontknoping’, zeg maar. Wekenlang hebben we de gebeurtenissen gevolgd. Dan zit je voor de tv en zie je hoe de boeren net de verkeerde keuzes maken, of hoe zij op het moment suprême de meest onhandige opmerkingen maken. ‘Oh, wat stom!’ roep je dan, totdat je vrouw fijntjes zegt: ‘nou, weet je nog: toen heb je precies hetzelfde ook tegen mij gezegd.’ En na een kort moment van herinneringen kijk je elkaar glimlachend aan en zeg je: ‘Gelukkig is het toch goed gekomen.’

Dan is het alsof het vuurtje van toen weer opnieuw brandt. De boeren op tv zijn al lang vergeten, want nu kijken we naar onze liefde. Brandde niet ons hart? En brandt het nu niet weer opnieuw? Het is alsof je weer opstaat. Het vuurtje is nooit uit geweest, maar het vlammetje krijgt opnieuw lucht en vlamt weer op, en dan staat je hart opnieuw in brand.

Zo moet dat ook met de leerlingen gegaan zijn op de weg naar Emmaüs. Op het eerste gezicht zou je kunnen denken dat ons verhaal verteld wordt om te bewijzen dat Jezus werkelijk verrezen is. Maar eigenlijk wordt hier verteld hoe de leerlingen verrijzen. Somber en ontgoocheld zijn ze op weg. Hun hoop dat Jezus de lang verwachte messias was die alles zou veranderen is vervlogen. De vlam van wat zij geloofden en waar zij vurig naar verlangden is onder de grafsteen verstikt. Ze zijn uitgeblust, van hun dromen is alleen nog maar koude as over. En nu keren ze terug naar hun oude dode leventje.

Totdat ze opeens aan die vreemdeling beginnen te vertellen. ‘Bent u dan de enige die niet weet wat er gebeurd is?’ En de verhalen buitelen over elkaar heen. ‘We leefden in de hoop dat hij degene was die Israël zou bevrijden.’ En al pratende merken ze helemaal niet hoe die wonderlijke vreemdeling het gaandeweg van hen overneemt en hoe hij feilloos hun dromen weet te verwoorden. Hij vertelt hen wat er allemaal in de schriften staat over de messias, en kilometers lang vullen ze elkaar aan, totdat alle dromen weer duidelijk voor hun ogen staan. En als zij in het dorp komen is het alsof hun verlangen en hun dromen weer tot leven zijn gekomen.

En natuurlijk willen ze die dromen niet opnieuw laten varen en zeggen ze: ‘Blijf bij ons, want het is bijna avond.’ — Ze hebben het nog niet door, maar al gaande zijn zij opgestaan. Ze zijn verrezen uit de dood van hun gestorven hoop, verrezen uit de dood van hun desillusie, verrezen uit dat alles bij het oude zou blijven. Het vuurtje is weer in lichterlaaie gaan branden.

Zo zit jij soms ook op je eigen weg naar Emmaüs. Misschien kijk je liever niet naar Boer zoekt Vrouw omdat je eigen relatie uitgedoofd is. Of na de dood van je geliefde valt de weg je zo zwaar dat een beetje feel-good-tv ook niet meer helpt om je vuurtje weer aan te wakkeren. Misschien leef je met een ziekte, of misschien weet je niet meer hoe je de verziekte omstandigheden moet doorbreken. — Het vlammetje lijkt alsmaar zwakker te worden, en misschien is het vuur al gedoofd.

Augustinus kende Boer zoekt Vrouw natuurlijk nog niet, maar in zijn geschriften lijkt het alsof hij kijkt naar ‘Augustinus zoekt geloof’. En dan roept hij op gegeven moment ook: ‘Oh, wat stom!’ Ik zocht u buiten, maar u zat in mij. Diep in mijn hart brandde altijd al uw vuur. Maar ik leefde verwijderd van mijn hart. Hij zat op de weg naar Emmaüs, somber en onrustig, totdat het hem begon te dagen. Totdat hij terugkeerde naar zijn hart, net zoals de leerlingen onmiddellijk terugkeren naar Jeruzalem. En totdat hij besefte dat het vuur nooit helemaal gedoofd was. Brandde mijn hart niet? — Daarom zou hij later zo vaak roepen: keer terug naar je hart. En daarom wordt Augustinus ook afgebeeld met een brandend hart.

Het vlammetje van je hart is nooit helemaal gedoofd, ook al glimt het nog zo zwak. En je weg naar Emmaüs is nooit een eenrichtingsverkeer, je weg leidt nooit alleen maar naar vertwijfeling en dood. Misschien komt er opeens iemand met je meelopen, en misschien loopt degene al heel lang met je mee, maar heb je er geen erg in. Samen houden jullie het uit, jullie houden elkaar vast, en misschien kunnen jullie ook alleen maar jullie onmacht met elkaar delen. En toch merk je misschien dat je opstaat, toch is het alsof het vuurtje weer gaat branden, je krijgt nieuwe hoop, nieuwe kracht om te dragen, een nieuwe manier om er toch het beste van te maken. — Dan kan dat restje gloed zomaar weer opvlammen. Dan kan je weg naar Emmaüs zomaar een weg worden waar je weer opstaat.

Dat we zo op weg zijn. Dat we zo verrijzen. En dat we steeds maar weer verwonderd tegen elkaar mogen zeggen: ‘Brandde ons hart niet?’

Ekkehard Muth, 30 april 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *