Mede-messias

Matteüs 10, 37-42 2 Koningen 4, 8-16

Twee weken geleden op vakantie belandden we in de sacramentsprocessie ergens in een Italiaans bergdorpje in de Apennijnen. De mis werd in rap Italiaans afgehandeld, en ondanks de nogal lange preek van de pastoor stonden we al na 35 minuten buiten, klaar om te vertrekken. Tussen de mensen zagen we ook nog andere campinggasten: twee Nederlandse dames van duidelijk protestantse huize en twee broers uit Duitsland die driftig geluids- en foto-opnames maakten.

De fanfare zette in en liep voorop. Daarachter de pastoor met de monstrans onder het baldakijn, gevolgd door het koor, en wij allen achteraan. De straatjes waren feestelijk versierd met uitgestrooide bloemblaadjes, en soms waren ze zo smal dat het baldakijn scheef gehouden moesten worden. Het was aan de ene kant aandoenlijk, maar aan de andere kant deed het ook wat met ons. —

En dat merkten we vooral toen we later op de camping bij de afwas in gesprek kwamen met de twee mannen die de geluidsopnames gemaakt hadden en de foto’s. Ja, zei de fotograaf, ik heb er natuurlijk niks mee, maar ik vind het zo’n mooie folklore. En toen beseften wij dat wij dat helemaal geen folklore vonden. En eigenlijk waren we ook een beetje aangeslagen door het feit dat je dat wat die processie met je kan doen zo op afstand kunt houden, lekker veilig achter de lens van je camera.

Toen we door het dorp trokken van de ene statie naar de andere voelde het een beetje als kinderen die voor het eerst in hun nieuwe huis hun ouders op bezoek hadden. Kijk, hier wonen we, hier werken we, en hier doen we onze boodschappen, dit zijn onze buren, en zo leven we. En tegen Christus die in het brood in de monstrans meegedragen werd zeiden we: dit is ons dorp, hier leven we, hier werken we, dit zijn onze huizen, hier is het vee, daar de velden. En toen de pastoor telkens weer met de monstrans in een wijds gebaar het kruisteken maakte was het alsof we zeiden: kijkt u goed om u heen, wilt u dit alles zien, en wilt u hier bij ons wonen.

Het is geen folklore waar we een stukje brood door het dorp dragen, maar het is een manier om uit te beelden dat God bij zijn mensen wil wonen.

In onze evangelielezing van vandaag wordt dat stukje brood in de monstrans vervangen door jou- en mijzelf. In de met bloemen versierde straatjes en bij de mooi opgemaakte altaren werd Christus ontvangen. In onze lezing zegt Christus: ‘Wie júllie ontvangt, ontvangt mij.’ Jij en ik, wij worden bij wijze van spreken tot monstrans om Hem mee te dragen. Onze lezing is het slot van de grote uitzendingsrede. Jezus stuurt zijn leerlingen en ons erop uit, en als hij daarbij zegt ‘wie júllie ontvangt, ontvangt mij’, dan maakt hij ons tot mede-messias.

En dat moet je dan niet als folklore opvatten, als iets ver weg achter de lens van je camera of ergens als geluidsbestandje op een geheugenkaart. — Misschien bedoelt Jezus dat als hij zegt ‘wie meer van zijn vader of moeder houdt, is mij niet waard’, ‘wie zijn kruis niet op zich neemt, is mij niet waard’, en ‘wie zijn leven probeert te behouden zal het verliezen’. Dat je het niet opvat als iets wat eigenlijk niet bij je leven hoort, omdat andere dingen, zeg maar, meer bij je leven horen.

Van de preek in het Italiaans hebben we geen woord verstaan, maar toch hebben we meegekregen dat de pastoor het heel klassiek had over de werkelijke aanwezigheid van Christus in het brood, en dat dit dus een ander stukje brood is dan het brood waarmee je na het eten je bord schoonveegt. — Je kan over die echte aanwezigheid in het brood natuurlijk op verschillende manieren denken, en theologen schrijven daar nog steeds dikke boeken over. Maar als wij in onze lezing zelf tot drager van Christus gemaakt worden, dan heb je daar geen theologische uiteenzettingen voor nodig. Dan heeft de pastoor namelijk wel gelijk, dan is het net als bij het grote kruisteken in de processie over de huizen en velden, dan is Christus al in jou komen wonen, dan bén je gewoon mede-messias.
En alsof Jezus aan het einde van zijn rede beseft dat we dat misschien een beetje te groot zouden kunnen vinden voor ons kleine leven — net als het baldakijn op sommige plekken te groot was voor de smalle straatjes — brengt hij het zelf maar weer terug tot behapbare porties. ‘Wie jullie ontvangt, ontvangt mij’, mede-messias dat ben je al als je ‘een van deze geringe mensen een beker koel water te drinken geeft’.

Na de processie en de zegen dook iedereen naast de kerk de bar in om elkaar te trakteren op een ander koel drankje.

Ekkehard Muth. 2 juli 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *