Levenswater

Johannes 4, 5-42 / Exodus 17, 3-7

Als je tegen de grenzen van het leven oploopt, kun je in een situatie van crisis terecht komen. Zulke grenzen bereik je bijvoorbeeld als je plotseling of langzaam maar zeker ernstig ziek wordt, als een scheiding zich aandient of als je slachtoffer bent van terreur of geweld. In zulke grenssituaties kun je de moed verliezen en verloren gaan. Of je krabbelt op en er openen zich nieuwe perspectieven.

De Samaritaanse vrouw uit het Evangelie van vandaag verkeert in zo’n grenssituatie. Hartstochtelijk dorst zij naar waarheid, naar iemand die je echt gelukkig kan maken. Met mannen lukt dat kennelijk niet. Vijf heeft ze er al gehad, en de man die ze nu heeft, is haar man niet. Er zal wel veel over haar gekletst zijn. En ook als gelovige stelde zij als Samaritaanse niet veel voor in de ogen van de echte gelovigen. Want zo beschouwen de Joden zich. Zij aanbidden God immers in Jeruzalem, maar de Samaritanen hielden hun eigen erediensten op de berg Gerizim. En dat was niet geweldig: namaak Joden waren ze. Dus ook hier voelt de vrouw zich niet echt gelukkig mee.

En dan, met haar diepe dorst naar wáár geluk, ontmoet ze een Jood bij de bron. De bron is een plek van ontmoeting. Je komt er niet alleen om water te putten, maar ook om mensen te ontmoeten. Maar dat een Jood haar — een Samaritaanse — aanspreekt, verbaast haar. Jezus gaat over grenzen heen: de grens die tussen godsdiensten wordt opgetrokken, de grens die tussen mensen wordt opgetrokken.

‘Ik heb dorst’ zegt Jezus, ‘en als ook jij maar genoeg dorst had, dan zou je mij vragen om levend water, water waar je nooit meer dorst van krijgt’.

Je voelt de spanning in het verhaal: De vrouw die dorst naar het ware geluk voelt zich aangesproken, maar tegelijk heeft ze ook allerlei vragen. Zal ze verder gaan met dit gesprek? Als ze zich gewonnen geeft, is ze misschien zichzelf niet meer. Of misschien juist wel? Deze man is zo anders. Hij zegt dat het water dat hij geeft een bron wordt die blijft stromen. Het is alsof ze op de grens staat tussen de tijd die achter haar ligt en de nog onbekende toekomst. ‘Ga ik die grens over? Dan openen er zich misschien nieuwe perspectieven. Maar wat haal ik me op de hals? Nu weet ik wat ik heb.’ Ze wordt nieuwsgierig naar Jezus’ gedachtegang. Het verlangen naar nieuw leven is sterker dan het behouden van het huidige, en daarom vraagt ze om het water waarvan je geen dorst meer krijgt. ‘Haal je man’ zegt Jezus. ‘Vertel mij wat over mannen, ik heb geen man!’

Haar antwoord is niet bezijden de waarheid: 5 mannen en nu een die niet haar man is, kun je samenvatten als ‘geen man hebben’. Ze heeft niets verborgen of mooier gemaakt dan het is en legt al haar armzaligheid op tafel: haar onmogelijkheid om zich te binden; de manier wellicht waarop ze met háár zijn omgegaan. Haar pure eenzaamheid. Zo staat ze voor Hem, in leegte en gemis. ‘Je hebt waarachtig gesproken’ zegt Jezus. De vrouw weet zich gezien. Niet als lustobject of gebruiksvoorwerp, maar om wie zij is. Jezus heeft haar laten zien wie ze eigenlijk is: iemand die dorst naar meer. Een dorst die het leven beheerst als een onvervuldheid, als een heimwee, een eeuwig verlangen. ‘Geef mij dát water, waardoor ik vrede vind met mijn leven’. Maar toch blijft ze nog even op de grens staan. Want die joodse man kan dan wel een profeet zijn, maar het verschil in godsdienst blijft bestaan. Hij bidt in Jeruzalem, zij op de berg in haar buurt. Wie heeft gelijk? En weer is Jezus grensoverschrijdend. Bidden is niet aan een heilige plaats gebonden, zegt hij.

Of je nu bidt in een katholieke of een protestante kerk, in een moskee, een synagoge of een tempel: je bidt met je hart. God ontmoet je in geest en waarheid. Zoek waarachtigheid in jezelf!

En weer wordt ze geraakt. Zoals ze zichzelf niet groter maakt dan ze is, zo mag ze vanuit haar eigen waarachtigheid God aanbidden.

Bevrijdt van ballast kan ze nu de grens tussen oud en nieuw oversteken. Omdat ze de Messias ontmoette die Sammaritanen geen tweederangsburgers vond, en háár niet te min, komt ze in contact met de diepere waarheid van haar eigen leven. Ze heeft de bron ontdekt met het water dat alle dorst wegneemt. Ze laat haar kruik staan en wordt zelf bron van levend water voor haar stadsgenoten.

Aan de grenzen van je leven kun je ervaren wie je bent: het is een aansporing voor ons allen om die grenzen niet te ontwijken.

Onlangs vertelde Jean Jacques Suurmond in zijn column dat hij als pastor in de Verenigde Staten een diaken meemaakte die positief bleef geloven dat zijn dode zoontje zou worden opgewekt. Zo hoefde hij zijn moeilijke gevoelens van rouw en boosheid niet onder ogen te zien. Maar zolang je voor jezelf vlucht, blijft je binnenste klein en heb je ook geen ruimte voor de ander. Juist wie niet terug streeft naar het land van ooit, maar de minder leuke of vreemde dingen in zijn leven durft te aanvaarden, zal merken dat zijn hart geleidelijk groter wordt. Zo passeer je de grens naar nieuw leven, en alles wat zo hard was als een rots, zal weer gaan stromen!

Joost Koopmans osa, 19 maart 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie