Je bent altijd meer dan je kunt zien.

By: Peter

Johannes 9, 1-9 Laetare

We zijn mensen, die ook blind nog kunnen zien. Dat is misschien een beetje een gedurfde uitspraak, want je zal maar slechtziend of blind zijn. Dan zit je in de kerk niet te wachten op dit soort uitspraken die volstrekt voorbij gaan aan de realiteit. Ik hoop van harte dat ons verhaal van de genezing van de blinde toen echt waargebeurd is, maar alles in ons verhaal wijst erop dat het om een andere blindheid gaat. En het gaat ook om een ander zien dan wat je met je ogen kunt zien. Het gaat erom dat je kunt zien ook al zijn je ogen misschien blind. En het gaat erom dat je veel meer kunt zien, meer dan de blinde na zijn genezing.

En wat je zou willen zien, ook al kun je het nu niet zien, dat weten we maar al te goed. Misschien wil je zien dat die langslepende ruzie in je familie eindelijk ophoudt. Misschien zou je willen zien dat je weer beter wordt, of dat je je met je ziekte een beetje kunt verzoenen. Misschien zou je willen zien dat verkeerde beslissingen in je leven alsnog goed uitpakken, of dat je de kracht krijgt om de last te dragen die op je schouder ligt. Misschien zou je willen zien dat er wat licht komt in de nood waarvoor je geen oplossing weet. Dat je de slechte ervaringen die jouw leven onder een dikke laag modder begraven zou kunnen afwassen. Misschien zou je willen zien dat er vrede kwam, meer geborgenheid, meer warmte.

We weten heel goed wat we zouden willen zien. En dan hebben we het nog niet over de dingen waarvan we niet eens weten dat we ze missen. De dingen die ons overstijgen en die we ons eigenlijk niet voor kunnen stellen. ‘Ik ben het licht voor de wereld’, zegt Jezus hier, en dat is een ander licht dan wat je met je ogen kunt zien. Als we hier bij elkaar komen om te vieren, dan proberen we om er al een glimp van op te vangen. Dan doen we gewoon alsof we al kunnen zien wat onze ogen nog niet zien. En vandaag op zondag Laetare, op ‘klein Pasen’, kijken we midden in de lijdenstijd al vooruit naar het grote feest. We komen als het ware met modder op onze ogen, maar voor heel even wassen we de modder van onze ogen af.

Het is een prachtig beeld. Als een sjamaan spuugt Jezus op de grond, hij maakt een papje en smeert het op de ogen van de blinde. De modder staat voor de modder die je blind maakt. Bijvoorbeeld: dat je elkaar afrekent. ‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ Dat is een opmerking die getuigt van een plat wereldbeeld. Daarin is ziekte het gevolg van zonde. Daarin reken je elkaar af op je daden. Eigen schuld, dikke bult. Je rekent elkaar af op je economische waarde. ‘Is dat niet de man die altijd zat te bedelen?’ Heb je voldoende koopkracht? Ben je economisch interessant? Of is je leven alleen maar een kostenpost, heb je veel te dure zorg nodig? Wat lever je nog op voor de samenleving? Is je leven niet voltooid, en kan je niet beter maar gaan? — In zo’n manier van samenleven ben je die blinde bedelaar liever kwijt dan rijk.

Dat is dus de modder die ons blind maakt. Dat je alleen kijkt naar aardse en rekenkundige waarden. Later vragen ze nog aan de blinde hoe Jezus dat gedaan heeft, en denken ze dat je dus blinden met wat spuug en modder kunt genezen. En in het verdere verloop van ons verhaal nemen ze de blinde ook nog eens mee naar de farizeeërs, want de genezing vindt op een sabbat plaats, en op een sabbat mag je niet werken. — Allemaal aardse regeltjes, allemaal maatstaven die niet verder kijken dan wat je letterlijk kunt zien. Als mens ben je niet meer dan wat je doet, je bent niet meer dan wat je oplevert, je bent alleen een stukje biologisch leven tussen geboorte en dood. — Vandaar dus de vraag: wie heeft er nou gezondigd? ‘Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’

Maar Jezus antwoordt: niemand heeft gezondigd, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’ Het gaat niet om wat je met je ogen kunt zien, maar het gaat om wat je ziet als je al dat platte afrekenen eens achterwege laat. Als je verder kijkt dan wat je kunt zien. Het gaat erom dat je ziet dat in de ander en in jou God aan het werk is. Dat je midden in dit aardse en platte bestaan ook een draad naar boven hebt. Of eigenlijk zeg ik het met Augustinus liever andersom: dat je tussen alles wat je met je ogen kunt zien ook ziet dat God oplicht in mensen. Dat jijzelf en de ander bij wijze van spreken ‘gezonden’ zijn. Daarom wordt de blinde in onze lezing naar het badhuis van Siloam gestuurd. En tussen haakjes wordt vermeld dat Siloam ‘gezondene’ betekent. — Je bent altijd ook een gezondene, een afgevaardigde, een ambassadeur waarin God oplicht.

Je bent altijd meer dan je kunt zien. Als is je leven voltooid, je bent meer dan dat. Al ben je voor de zorg nog zo’n grote kostenpost, je bent meer dan dat. Al ben je in al die aardse termen niets waard, je bent veel en veel meer dan dat. We zijn mensen, die ook blind nog kunnen zien. Omdat we meer zien dan wat je met je ogen kunt zien. En als zelfs dit zien ophoudt, dan nog zal God blijven oplichten. Dan weet je niet wat je ziet.

Ekkehard Muth, 26 maart 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie