In je tent; trek steeds verder

Matteüs 17, 1-9 / Daniël 7, 9-10; 13-14
Laten we hier drie tenten opslaan, roept Petrus. Misschien ken je dat gevoel wel: na een lange reis kom je op vakantie aan op de camping, je prikt je tentje in de grond en je bent thuis. Je hebt een prachtige plek gevonden, misschien een leuk uitzicht, hier is het goed toeven, hier wil je blijven, biertje erbij of een glaasje wijn, hier ben je thuis. Mensen die met een camper reizen of met een caravan hebben dat ook, maar dat hadden Petrus, Jakobus en Johannes nog niet.

En misschien ken je dat andere gevoel ook. Na een paar dagen breek je de tent weer af. Je vouwt het op. En je bent klaar om naar iets nieuws te vertrekken. Je voelde je thuis in je tent, maar je tent draagt altijd ook de belofte in zich van het nieuwe, van opnieuw op weg gaan, van nieuwe ontdekkingen. Als de tent weer in je rugzak zit, of achter in je auto, dan lonkt het nieuwe.

Petrus, zijn naam betekent ‘steen’, ‘rots’, zal later de rots worden waarop de kerk gebouwd is. Maar soms denk ik dat hij liever een kerk had gehad die in tenten woont. Lekker thuis, warm en knus, maar tegelijkertijd ook altijd op weg naar buiten, op weg naar het nieuwe. ‘Trek steeds verder’, zegt Augustinus, ‘stilstand is achteruitgang’, als je je tent te lang laat staan verliest het gras eronder alle kleur, en uiteindelijk gaat het dood. Als je je te lang blijft wentelen in het vertrouwde, dan ben je al een beetje dood voordat je gestorven bent.

Vaak proberen we in ons leven huizen van steen te bouwen. We willen vastigheid. Die hebben we ook nodig. Dat je partner bij je blijft, dat je voor elkaar zorgt, dat je een vaste baan hebt, dat je het goed hebt met je familie en vrienden, dat je gezondheid je niet in de steek laat. Het liefst zouden we al deze dingen in steen en beton willen vastzetten. Maar het blijven uiteindelijk toch tenten. Tenten die je droog houden en die je beschermen voor de ergste stormen, maar toch tenten waar je door het doek elke regendruppel hoort en die soms behoorlijk wapperen in de wind.

Wat Petrus Jakobus en Johannes hier meemaken is ingegeven door wat we in onze eerste lezing in het visioen van Daniël gelezen hebben. Reken maar dat de drie leerlingen de beelden kenden die Daniël hier schetst. In zijn visioenen mocht hij een kijkje nemen in de hemel, net zoals later degene die onder de naam Johannes zijn visioenen in het boek Openbaring heeft opgeschreven. Nog weer later, rond het jaar 1000 bleek Hildegard von Bingen dit soort visioenen te ontvangen. —

Het zijn gezichten en beelden die heel vreemd aandoen. Van Hildegard von Bingen, die geboren en getogen was in het piepkleine dorpje waar ik aan het begin van mijn loopbaan als dominee stond. Van haar weten we dat zij ook niet meteen het idee had dat het om de hemel ging. Zij probeerde haar gezichten zo goed mogelijk te beschrijven, maar voordat ze die ging duiden legde ze dat wat ze zag eerst voor aan de kerk en zelfs aan de paus. Maar ja, hoe moeten zij dan weten hoe het er in de hemel uitziet? Maar uiteindelijk kwam men tot de conclusie dat de visioenen in één lijn staan met de visioenen van Daniël en van Johannes. En ook al kunnen we de beelden misschien niet duiden en uitleggen, dan is het toch goed om dat wat ons op die manier gegeven wordt te koesteren.

De leerlingen zagen opeens met Jezus gebeuren, wat zij ook al bij Daniël gelezen hadden: ‘met de wolken van de hemel kwam iemand die eruitzag als een mens. Hem werden macht, eer en het koningschap verleend.’ En hier op de berg glijdt opeens ‘de schaduw van een stralende wolk over hen heen’, en uit de wolk klinkt een stem: ‘Dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde. Luister naar hem.’

Ze zien vervolgens ook nog Mozes en Elia met Jezus spreken. Mozes, die ooit zijn volk uit Egypte bevrijdde en na 40 jaar door de woestijn naar het beloofde land gebracht heeft. En Elia, de belangrijkste profeet in het jodendom. Hij heeft zijn leven lang namens God gesproken. Hij was Gods stem op aarde. Hij is na zijn dood opgenomen in de hemel.
Petrus, Jakobus en Johannes hoeven niet lang na te denken. Mozes die ons naar het beloofde land heeft geleid, Elia die altijd al vanuit de hemel gesproken heeft, en Jezus die voor hun ogen verandert in die mens van God uit wolken en licht. — Het kan niet anders of wij zijn in de hemel. Na een lange reis zijn ze op de plek aangekomen. Hier is het goed toeven. Laten we drie tenten opslaan. Hier willen we thuis zijn.

Maar zo werkt het niet. In ons leven niet, en ook hier niet. Even hebben ze een glimp van de hemel mogen zien. Maar `Jezus zegt: ’Sta op’. En nog voor ze de tenten opgebouwd hebben, pakken ze ze alweer in om op weg te gaan. Mozes en Elia laten ze achter, maar Jezus gaat met hen mee. Naar beneden, het gewone leven in, waar onze tenten niet alleen in het licht staan, maar vaak genoeg ook in regen en wind. Waar we in de tenten bij elkaar kunnen schuilen, maar waar we de tenten ook weer inpakken en verder trekken.

In je tent ben je thuis, maar je tent stuurt je ook altijd weer op weg. Trek steeds verder, naar het licht, naar de hemel.

Ekkehard Muth, 6 augustus 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie