Distels

Matteus 13, 1-9
Overmorgen gaan ze weer van start, de 4-daagse-lopers. En het wordt een groot feest. Niet alleen op de pleinen en plekken van de vierdaagsefeesten, maar vooral ook langs de weg waar de wandelaars langskomen. In elk dorp, op elke geschikte hoek worden ze feestelijk binnen gehaald, er is eten en drinken, hartverwarmende gezelligheid en ook heel wat originele verrassingen. We hebben bewondering voor hun doorzettingsvermogen, en de prestaties van de lopers halen ook bij de niet-lopers het beste naar boven. Veel lopers dragen hun tocht ook op aan iemand voor wie ze het doen, aan een goed doel, aan een zieke of aan een overledene. Of zij lopen uit dankbaarheid voor hun herstel of voor een goede wending in hun leven. En velen lopen ook om weer eens ruimte te maken in hun hoofd.

Misschien nemen ze allemaal op de een of andere manier ons verhaal van vanochtend mee: waar is mijn goede aarde, waar groeien mijn distels, waar is mijn goede aarde hard geworden en platgetreden, en waar ben ik wellicht versteend?

Jezus heeft het in zijn gelijkenis natuurlijk niet zomaar over een zaaier, maar over God. En God is wel een heel ruimhartige zaaier. Met open handen en met weidse gebaren gooit hij het uit, zijn buidel vloeit over. God doseert niet, hij meet niet af, blindelings strooit hij het zaad in goede aarde, op rotsen en wegen en onder het onkruid. Hij is mateloos ruimhartig, want voor God kunnen juist ook rotsen, wegen en distels tot goede aarde worden.

Afgelopen zondag bij onze informatiebijeenkomst na de viering kon je dat een beetje zien. Opeens groeiden er distels van: het bestuur luistert nooit, het is zo hard als rots, wat we ook inbrengen, wat we ook zaaien, in de harde grond schiet het geen wortels. En andersom groeiden er distels van: hoe kan het toch dat na alle raadplegingen, kapeloverleggen, gesprekken aan de kloostertafel, stukken in Op de Hoogte nog steeds de indruk blijft bestaan niet gehoord te worden. Het lijkt alsof het zaad even opschiet om zodra de zon opgaat meteen weer te verschrompelen.

Even dreigden de distels alles te verstikken, maar gelukkig zagen velen van ons dat we onder alle stekeligheden, platgetreden vooroordelen en versteende opvattingen samen toch ook goede grond mogen zijn. Daarom gaat God in onze gelijkenis ook maar gewoon door met zaaien, want bij hem kunnen ook distels, harde grond en zelfs stenen tot goede aarde worden.

Gelukkig maar. Want natuurlijk ben jezelf de ‘goede grond’. Vol goede bedoelingen, vol verlangens. Je bent er voor je kinderen en kleinkinderen. Je helpt andere mensen. Misschien heb je de mantelzorg op je genomen voor iemand die je lief is. Je bent vol goede wil, andere mensen kunnen altijd op jou rekenen. En ja, misschien zou je het nooit zo zeggen, maar diep van binnenuit wil je net zo goed zijn als God, net zo ruimhartig en net zo wijs.

Maar voor dat je er erg in hebt groeien in jouw goede aarde ook weer distels. Je zorgen groeien je boven het hoofd. Of misschien ben je ziek en lijkt al het wieden niets op te leveren. Of er zijn andere noden die je zo in beslag nemen dat je geen licht meer ziet. Of je bent zo verstrikt in alsmaar weer dezelfde patronen dat er niets meer kan groeien behalve onkruid. De distels groeien zo hard dat ze alles verstikken.

Dan weer heeft wat je overkomen is je zo hard gemaakt als steen. Misschien ben je gekwetst en heb je besloten dat niets en niemand meer tot je door mag dringen. Of hebben nare ervaringen je hard gemaakt in je denken. Jouw opvattingen staan als een rots in de branding, en die zekerheid wil je niet opgeven. — Maar dan lijkt er opeens toch iets tussen de rotsen op te schieten. Je verlangt ernaar dat je weer wat opener kon zijn, dat je de ander wat meer kon toelaten. Of je voelt het verlangen dat je de dingen die altijd zo geweest zijn ook eens uit een ander perspectief zou kunnen zien. Je krijgt het vermoeden dat je harde steen toch tot goede aarde zou kunnen worden.

En soms worden ook al je goede bedoelingen platgetreden, net zoals de aarde op een weg platgestampt wordt. Opeens blijk je boventallig op je werk. Je inzet wordt opeens niet meer gewaardeerd. Je wilt van alles laten groeien, maar het wordt gewoon vertrapt. Of je liefde wordt niet beantwoord, of anderen zien je gewoon niet staan. Men trapt op je ziel. Jouw goede aarde wordt aangestampt als een drukke weg; geen zaad meer wat daarin nog wortel kan schieten.

Maar God blijft maar zaaien. Of je nu lijkt op de aangestampte weg, of dat je hard geworden bent als de rotsbodem, of dat je overwoekerd raakt door de distels — hij blijft maar zaaien. Hij blijft erin geloven dat ook die plekken goede aarde kunnen zijn. Onder de harde weg, onder de stenen en onder de distels ziet hij alleen maar goede grond.

Dinsdag in alle vroegte gaan de lopers van start. En al lopende halen ze bij lopers en niet-lopers het beste naar boven: waar groeien mijn distels, waar is mijn goede aarde hard geworden en platgetreden, waar ben ik wellicht versteend geraakt, en waar is mijn goede aarde? — God blijft maar zaaien, want je bent meer goede aarde dan je denkt, en de ander ook. Mogen we samen goede aarde zijn.

Ekkehard Muth, 16 juli 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *