De laatsten zullen de eersten zijn

De parabel van de wijngaard: de eigenaar van de wijngaard huurt arbeiders in, Cornelis Cort, naar Andrea del Sarto, 1563 (Rijksmuseum, Amsterdam)

Viering in Bezield Verband in de Boskapel

Augustinus: “De tijden zijn slecht?” Preek 80,8
Matteüs. 20, 1-16.

Zegt u eens eerlijk, wat is uw eerste reactie op dit evangelieverhaal? We zitten hier toch met een goed ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel — en ik schat dat het merendeel van u — deze gang van zaken op z’n minst onbegrijpelijk vond. Het verhaal schuurt, nietwaar?

Het beklag aan het eind van het verhaal is dan ook niet verwonderlijk.

Laten we eens wat beter kijken:
Er is een baas en er zijn teveel arbeidskrachten voor het werk dat gedaan moet worden. Deze baas helpt zoveel mogelijk mensen aan werk, tot aan het eind van de dag haalt hij er mensen bij. Geen overwerk, nee, zoveel mogelijk mensen betrekken bij het werk dat gedaan moet worden, zodat er later in de wijngaard van de heer geoogst kan worden. Ook dat is een vorm van rechtvaardigheid, van het delen van geluk.

En gelukkig zíjn de werkloze mannen op de markt dat zij nú geroepen worden, ook al is het laat op de dag. Geroepen door een heer die recht doet, recht dat uitgaat boven rechtvaardigheid op het eerste gezicht, mogelijk vanuit dat grote woord “Liefde”, dat wij met het goddelijke associëren.

Liefdevol, dat gaat boven rechtvaardigheid uit, en dat strijkt rechtvaardigen nogal eens tegen de haren in. Zo begrepen “de rechtvaardigen” in Jezus’ tijd, de farizeeën, niet dat Hij vanuit Líefde met tollenaars en hoeren omging, met hen de maaltijd deelde.

Zó omgaan met mensen gebeurt vanuit een economie van volheid en overvloed; het verloren schaap krijgt evenveel aandacht als de volgzame kudde. En is niet de thuisgebleven zoon evenzeer welkom aan het feestmaal als zijn teruggekeerde broer?

De arbeiders in de wijngaard van de Heer werden geroepen en lang niet allemaal tegelijk. Hebt ú, heb ík ooit het gevoel gehad geroepen te worden, ook al was onze levensdag misschien al een eind op streek?

Bij zo’n vraag duikt Augustinus op. Ik vat zijn bijdrage samen: het heeft met ons te maken, ja het hangt van ons af hoe het in de wereld gaat! “Zoals wij zijn, zo zijn de tijden”.

Zelden wordt ons zó rechtstreeks gewezen op onze plaats en onze taak in de wereld. Het dóet ertoe, jíj doet ertoe. Wat je doet en wat je laat is van belang, geeft mede vorm, hoe gering ook, aan de wereld om ons heen. Zoals wij zijn, zo zijn de tijden.

Moet je “geroepen” zijn om daaraan een bijdrage te leveren? Het is maar hoe je dat opvat! Zo weet ik niet of er sprake was van roeping toen progressieve politici een halve eeuw geleden met het idee van een basisinkomen voor iedereen kwamen; net genoeg om van te leven, maar meer ook niet. Hoewel serieus besproken, tot en met in de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, is het er nooit van gekomen. Donderdag meldde dagblad Trouw dat er nu ook in India over gedacht wordt. Of Jezus met zijn parabel hiertoe de aanzet heeft gegeven, geen idee, maar nieuw is het allerminst, deze vorm van genade.

“Niemand wilde ons in dienst nemen….” zeggen de arbeiders desgevraagd op het elfde uur tegen de landheer. Ook al is de heer niet in staat is om de gehele dag voor genoeg werk te zorgen, hij zorgt in elk geval voor een opmerkelijke vorm van gelijke behandeling. Hij realiseert zich dat alle arbeiders — ook al konden veel van hen een groot deel van de dag níet productief zijn — wel recht hebben op een inkomen. En dan hebben we het nog niet over degenen die van hen afhankelijk zijn.

Om dát te benadrukken krijgen degenen die het laatst geroepen zijn, het eerst uitbetaald, en evenveel als degenen het geluk hadden de hele dag te kunnen bijdragen aan het voorbereiden van de oogst. Zo thematiseert Jezus — zo heet dat tegenwoordig wanneer je iets bespreekbaar wilt maken — zo thematiseert Hij — vooral door de laatst gekomenen het eerst uit te betalen, een vorm van rechtvaardigheid die schuurt met de gebruikelijke gang van zaken.

En het verhaal blíjft schuren, tot en met het laatste stukje: ook het laatste deel van het evangelie intrigeert waar de landheer zegt: ”Of mag ik met mijn geld niet doen wat ik goed vind? Zet het kwaad bloed dat ik goed ben?”…….Wat roept dat op? Wrevel en “moet dat nou zo?”

– dat autocratische “mag IK niet….?” Akkoord, dat past in het verhaal, in de context.
– Maar onze tijd, onze samenleving is toch niet autocratisch, maar democratisch en dus beter?
– Dat laatste lijkt zo, maar daaronder spelen allerhande krachten en stromingen die collectief welzijn ondergeschikt maken aan individuele welvaart. “Als ík nu maar, dan….” Individuele rijkdom, versus collectieve armoede; het rauwe liberalisme ten voeten uit.

“Zoals wij zijn, zo zijn de tijden”. We zijn rond, want in, en met dit verhaal leven ook wij!

Zijn we daarom hier, in een kerk, op een ochtend zoals deze? Komen wij hier gewoontegetrouw naartoe om een “kerkdienst” bij te wonen, op zoek naar de diepere lagen van ons bestaan, of geven wij hier op de een of andere manier vorm aan ons “geroepen zijn”?

Het besef van liefde en rechtvaardigheid heeft een woonplaats in de diepste lagen van ons menselijk bestaan. En zonder de een of andere vorm van onverdiende liefde zou niemand het in dit leven uithouden. Wij worden geroepen om in de ruimte van dat geheim te leven. Wanneer dat gebeurt ontstaat “kerk”, worden mensen broeders en zusters van elkaar, in een Bezield verband.

Bidden we aan het begin van deze nieuwe week dat het geheim van Gods onvoorwaardelijk liefde ons mag blijven inspireren bij ons doen en laten.

Amen.

Frits Muller, 12 februari 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie