Ben ik het?

Johannes 13, 1-15 , Lucas 22 Witte Donderdag 2017

Ben ik het? Ik niet, ik nooit! Zo vragen de leerlingen zich af. Ben ik het die Jezus verraden zal? Nee, ik niet, ik nooit. Maar ook: Ben ik het, u wilt toch niet mijn voeten wassen? Nee, nooit, mijn voeten zult u niet wassen, nooit!

Je kan onze lezingen lezen vanaf een afstand, een beetje als een geschiedenisboek, zo is het gebeurd. Maar in de goede week gaat het niet alleen om wat er toen gebeurd is. Het gaat niet alleen om Jezus en ook niet alleen om zijn leerlingen. In de goede week gaat het om ons, om mij en om jou. Zijn wij het? Ben ik het? Ben jij het? — En het antwoord is: ja, jij bent het, ik ben het.

Jezus wast de voeten van zijn leerlingen; van álle leerlingen, ook de voeten van Judas die hem zal verraden, en ook de voeten van Petrus die hem zal verloochenen. In moskeeën is het nog steeds gebruikelijk dat je je voeten wast voordat je de moskee binnengaat. Bij de ingang vind je daarvoor grote schoenenrekken en hele rijen wasbakken om je voeten te wassen. Het is dan niet alleen dat je schone voeten hebt, maar het betekent ook dat je de weg van reinheid wilt gaan. Daarom roept Petrus ook meteen: was dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd. Dat je rein bent, dat je ook schone handen hebt, en ook een schone geest.

Wij vinden iemands voeten wassen iets onderdanigs hebben. Dat voelt Petrus ook, en in de andere evangelies zegt hij dan ook dat het andersom zou moeten zijn, dat hij de voeten van Jezus zou moeten wassen. Maar dat Jezus de voeten wast is hier ook een liturgische dienst, het is een manier van voorgaan, hij gaat zijn leerlingen voor om rein te worden. — Ben ik het die op uw wegen gaat? Ja, jij bent het!

En daarmee doet Jezus hier wat hij straks na de maaltijd zal voltooien. Hij wacht niet totdat wij rein genoeg zouden zijn, hij wacht niet totdat wij gelovig genoeg zouden zijn om in zijn voetstappen te treden, maar hijzelf maakt ons rein. Hij wast onze voeten omdat wij voortaan in zijn voetsporen zullen treden. — Ben ik het? Ja, jij bent het.

Vervolgens gaat hij met zijn leerlingen aan tafel. Hoe heb ik ernaar verlangd om met jullie pascha te eten. Want ik zal nooit meer deze maaltijd van bevrijding eten totdat het vervuld is in het koninkrijk van God. Ik zal nooit meer van de vruchten van de wijnstok drinken totdat het koninkrijk van God gekomen is. Ik ben het niet meer langer, maar ondertussen zijn júllie het. En daarom neemt hij het brood: dit is mijn lichaam. En hij neemt de beker: dit is mijn bloed. Eet en drinkt. Jullie worden mijn lichaam en jullie worden mijn bloed.

Ook hier wacht hij niet totdat wij uit onszelf voldoende geloof hebben. En hij wacht ook niet totdat wij vanuit onszelf goed genoeg zijn. Nee, hij voedt ons met zijn lichaam en met zijn bloed. — Ben ik het? Ja, jij bent het!

Maar ik ben het toch ook die hem vaak genoeg verraadt. Ik ben het toch ook die anderen vaak genoeg tekort doet. En hoe vaak verloochen ik hem niet. Hoe vaak laat ik niet anderen stikken? Maar hij wast ook de voeten van Judas en ook die van Petrus. Met Judas doopt hij zelfs samen het brood in de kom. En Petrus, zijn naam zegt het al, zal de eerste steen worden van de kerk.

Ben ik het? Ik niet, ik nooit! En toch: Jij bent zijn lichaam, jij bent zijn bloed. Met vallen en opstaan treed jij in zijn voetsporen. Jij bent het.

Ekkehard Muth, 13 april 2017

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie