Wie ik zal zijn

Lc 4, 1-13
‘Wie ik zal zijn’ — In de woestijn blijft na verloop van tijd alleen maar over wie je zelf ten diepste bent. Het is als met de woestijn zelf. Je kan je haast niet voorstellen dat er in de hitte en in de droogte nog iets van leven mogelijk is, maar onder het zand blijken dan toch bijvoorbeeld kevertjes te leven die voor zonsopgang op hun kop gaan staan en met hun achterpoten uit de ochtendmist een druppeltje water weten te vissen, waar ze de hele dag op kunnen teren. In de woestijn keer je terug naar dat ene druppeltje, naar de essentie van je leven. En als dan na jaren van droogte toch opeens de regen komt, dan sta je versteld van de explosie van groen en leven dat al die jaren ondergronds op die regen heeft zitten wachten. In de woestijn kom je bij het leven dat in je zit, en dat anders alsmaar weer verschroeid wordt door al die dingen die er niet toe doen. In de woestijn word ik ‘wie ik zal zijn.’

Zo vergaat het ook Jezus in de woestijn. Hij gaat de woestijn in om te komen tot wie hij zal zijn. En in eerste instantie krijg je de indruk dat hij in de woestijn moet bewijzen dat hij echt de zoon van God is. Want hij krijgt het voor elkaar om alle menselijke verleidingen te weerstaan. Maar dat is maar de ene kant van de medaille. Het is ook andersom. Door al die menselijke beproevingen te ondergaan, door te ondergaan wat ook wij alsmaar weer moeten ondergaan, wordt hij juist méns.

‘Wie ik zal zijn’ — in de woestijn wordt Jezus echt mens. En in de komende veertigdagentijd zal hij steeds meer mens worden tot de dood aan toe.

In ons evangelie van Jezus in de woestijn gaat het om wat je in leven houdt. Om wie je ten diepste bent. De duivel komt op de proppen met de meest voor de hand liggende dingen waarop we zo graag ons leven bouwen, namelijk: markt, macht en maakbaarheid. En Jezus zet daar tegenover het vertrouwen. Vertrouwen op wat je niet kunt zien, zoals je in de woestijn heel veel leven niet meteen kunt zien. En vertrouwen zoals het vertrouwen van dat kevertje, dat je handen gevuld worden ook al heb je het leven niet in de hand.

‘Beveel die stenen dan in een brood te veranderen’. Van stenen brood willen maken, dat kennen we uit ons marktdenken. Onze marktwerking functioneert daardoor, dat er voor waren of diensten telkens iets meer betaald wordt, dan dat het eigenlijk waard is. Zolang dat binnen bepaalde grenzen blijft, brengt dat groei met zich mee. Maar de uitwassen ervan kennen we ook. Dat je bijvoorbeeld zwemvesten maakt, die niet blijven drijven en die dan doorverkoopt aan vluchtelingen. Zo verkoop je letterlijk stenen voor brood. — Of andersom: dat je voor iets waardevols zo min mogelijk betaalt. Dat je kleren koopt voor een prijs die alleen zo laag kan zijn omdat de naaister in Bangladesh erop toelegt. Dat je de laagste premie betaalt en op de koop toeneemt dat zieken en ouderen op lange wachtlijsten terecht komen. Dat er een denken ontstaat van het kan allemaal goedkoper, totdat je het liefst in plaats van met euro’s met stenen zou willen betalen. — Dat is de eerste verleiding van de duivel, de verleiding van het marktdenken.

De tweede verleiding is de verleiding van de macht. Natuurlijk kun je macht in goede zin gebruiken, zodat anderen beter tot hun recht komen, je kunt je invloed doen gelden, zodat anderen erop vooruitgaan. Maar macht houdt ook altijd het gevaar in dat je de duivel aanbidt, namelijk door je macht te gebruiken om jezelf te verrijken of om vooral jezelf een goed leven te bezorgen. Dat kennen we van heel veel leiders en dictators, met de nodige vluchtelingenstromen als gevolg. Maar ook in het klein, op je werk bijvoorbeeld, hoe groot is niet de verleiding om die ene enkele keer toch even misbruik te maken van je positie? — ‘Ik geef u de macht over dat alles… als u in aanbidding voor mij neervalt.’ De tweede verleiding van de duivel.

De eerste keer heeft Jezus geantwoord met: ‘De mens leeft niet van brood alleen.’ Met geld en met het materiële zijn we er nog lang niet. Er is meer tussen hemel en aarde. En nu antwoordt hij met: aanbid alleen God. Met andere woorden, er is meer dan je eigen voordeel, meer dan je eigen portemonnee, meer dan je eigen belang. Geef je niet tevreden met wat er voor het grijpen ligt, maar overstijg jezelf. Laat je uittillen boven jezelf.

En precies hier ligt de derde verleiding. Toe dan, overstijg jezelf! ‘Spring dan naar beneden, de engelen zullen u op handen dragen’, toch? Dat is de verleiding van de maakbaarheid. Dat je niet alleen het materiële in de hand wilt hebben en je eigen gedrag, maar dat je ook nog eens wilt gaan over wat je overstijgt. Zo wil bijvoorbeeld IS met terreur een kalifaat oprichten, of in Saudi-Arabië denken ze dat het overstijgende dichterbij komt als vrouwen maar geen auto rijden.

De antwoord van Jezus is hier: vertrouwen. ‘Stel God niet op de proef’, onderwerp God niet aan menselijke maatstaven, maar verwacht van hem wat je nooit zelf had kunnen verzinnen.

In de woestijn valt alles weg waaraan we zo vaak ons leven ophangen. Markt, macht en maakbaarheid, in de woestijn heb je er niets aan. Jezus zet daar dan ook het vertrouwen tegenover. Het vertrouwen dat je meer bent dan wat je kunt kopen, het vertrouwen dat je meer bent dan wat je uit eigen macht kunt bewerkstelligen, het vertrouwen dat je meer bent dan wat je van jezelf kunt maken.

‘Wie ik zal zijn’ — Als in de woestijn alles wegvalt wat je kunt kopen, doen en maken, dan blijft alleen nog maar over dat je ‘meer’ bent. Jezus wordt hier echt mens, en wij ook.

Ekkehard Muth, 14 februari 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

2 reacties op Wie ik zal zijn

  1. Caroline schreef:

    Zeker mooi. Ook leuk om te vergelijken met wat in de Studentenkerk over de zelfde tekst is gezegd.. eigenlijk zou dit gedachtegoed meer gehoord moeten worden..

  2. Theo Thier schreef:

    Fijn, Ekkehard, dat je het bijbelwoord weer in woorden van 2016 vertaald hebt, want het valt
    vaak niet mee ze op je eigen leven en je eigen tijd toe te passen.
    Bedankt.

Geef een reactie