Vriend en herder

Gezamenlijke viering in Bezield Verband,

Johannes 10, 27-30 / Brief Augustinus 73,10

Ik neem aan dat u ook niet de hele dag aan God zit te denken. Dat doe ik ook niet, terwijl ik toch het voorrecht heb om me zelfs ‘in de baas z’n tijd’ met God bezig te houden. Maar misschien kent u dat ook: dat je God opeens op de meest onverwachte momenten tegenkomt. Misschien als je kinderen plotseling zo ontroerend uit de hoek komen; of als je liefhebt en liefde mag ontvangen; soms word je aangeraakt door een muziekstuk of door schoonheid; of ervaar je gouden momenten ondanks ziekte. Of, zoals Augustinus het hier aan zijn vriend Hieronymus schrijft, soms zijn wij voor elkaar als God. Augustinus schrijft: ‘wij kennen elkaar minder goed dan wij gekend worden door hem met wie wij het meest samenzijn en vertrouwelijk omgaan.’

Volgens Augustinus ben je met God het meest samen en ga je met hem vertrouwelijker om dan je misschien zelf doorhebt. Dan loop je misschien niet de hele dag aan hem te denken, dat hoeft ook niet, want hij is er toch.
Dat is een zelfde soort verbondenheid die we ook in het Johannesevangelie vinden: ‘nooit zullen mijn schapen verloren gaan, niemand zal ze aan mijn hand ontrukken.’ Voor Johannes is de verbondenheid met God net zo vanzelfsprekend als voor Augustinus. En Johannes beargumenteert dat in bijna wiskundige redeneringen: zoals een herder en zijn schapen één zijn, zo zijn ook wij één met Christus; en omdat de zoon één is met de vader, zijn ook wij uiteindelijk één met God zelf.

Ik zei het al, waarschijnlijk lopen we daar niet de hele dag aan te denken, en zeker niet in termen van schaapjes en herders. Maar ik vind het wel lastig dat het besef van het overstijgende uit onze samenleving wel heel erg ver is weggesijpeld. Volgens het rapport ‘God in Nederland’ niet alleen de verticale spiritualiteit op haar retour, dus het idee van een hogere macht hoe je die ook wilt noemen, maar ook de horizontale spiritualiteit neemt af, dus dat je je verbonden voelt en belangrijke waarden met elkaar deelt.

Begrijp me goed, dan heb ik het er niet over dat mensen van mij in christelijke zin gelovig zouden moeten zijn, laat staan in kerkelijke zin, helemaal niet. Maar doe je jezelf niet tekort als je de overstijgende dimensie van je bestaan helemaal buiten beschouwing laat? — Augustinus denkt uiteraard binnen een gesloten kerkelijk en christelijk kader, maar als je daar even doorheen prikt zegt hij eigenlijk iets veel fundamentelers, namelijk: het menszijn is meer dan dit biologische bestaan. Je bent meer dan dit lichaam en je bent meer dan wat je uit jezelf van je leven kunt maken. Naast de dimensie van het hier en nu heb je ook een dimensie die dit hier en nu overstijgt.

Vandaag is het zondag van de Goede Herder, en ik denk dat we in onze samenleving vrienden nodig hebben en dat we herders nodig hebben die ons deze dimensie weer ontsluiten. En dat wij deze vrienden en herders moeten zijn.

Augustinus noemt die overstijgende dimensie meteen God, en wie daar serieus over doordenkt zal het er ook uiteindelijk met Augustinus eens worden. Maar ook al noem je het niet zo, dan nog vind ik het een verschraling als die overstijgende dimensie buiten beeld blijft. Doe je jezelf niet tekort als je in het vertederende gedrag van je kinderen alleen een biochemische reactie ziet? Doe je jezelf niet tekort als je als mantelzorger niet ziet dat je boven jezelf uitstijgt? Doe je jezelf niet tekort als je niet ziet dat jouw liefde misschien groter is dan jezelf?

Misschien valt er op de opvang op Heumensoord van alles en nog wat af te dingen, maar dat het relatief goed is gegaan en dat er meer vrijwilligers waren dan vluchtelingen dat heeft ermee te maken dat je de overstijgende dimensie ziet van de vluchteling en van jezelf. Als deze dimensie wegvalt dan reduceer je de mensen tot handelswaar in een miljardendeal. Als het overstijgende wegvalt dan doe je met je geld wat net niet verboden is en sluis je het door naar Panama, in plaats van te kijken of je daarmee ook goed doet. Als je je bestaan beperkt tot het hier en nu dan kom je op neoliberale ideeën als: zolang iedereen goed voor zichzelf zorgt dan hebben we het allemaal goed.

Augustinus blijft hameren op die andere dimensie: ‘In de genegenheid van mijn vrienden kom ik zonder zorgen tot rust, want ik voel dat daar God aanwezig is aan wie ik mij onbezorgd overgeef.’ En Johannes vertelt met het beeld, dat wij als schapen verbonden zijn met de herder en dat de zoon verbonden is met de vader, niets anders dan dat wij verbonden zijn met de vader.

We hebben vrienden nodig, we hebben herders nodig. En laten wij die vrienden en herders zijn voor elkaar en voor wie op ons pad komt. En dan hoef je daar niet de hele dag aan lopen te denken, maar volgens Augustinus bén je gewoon vriend en herder. Moge het zo zijn.

Ekkehard Muth, 17 april 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie