‘Slechts’ naar de andere kant

Matteüs 5, 1-12, Ween niet (Augustinus)
Allerheiligen Allerzielen

Van Augustinus wordt beweerd dat hij een goede pastor was. Een zielzorger die zich goed kon invoelen in hoe het met de ander was. Maar hier in onze eerste lezing lijkt hij eerder een olifant in de porseleinkast van je ziel. Hij walst zomaar over alle processen heen die je na het overlijden van je dierbare moet doormaken.

‘Ween niet. De dood is niets. Ik ben slechts naar de andere kant.’ Wat een onzin. Natuurlijk moet je huilen, soms kan het je zomaar overvallen. Zelfs na jaren kunnen de tranen opeens weer over je wangen biggelen. De dood is wel degelijk iets, gruwelijk en meedogenloos. En die andere kant, die is zover weg. Je hoort de stem niet meer, je mist de aanraking, en met je ogen en in je gedachten kan je nog zo turen, je ziet aan de andere kant niets.

Ik zeg het maar meteen: die tekst van onze eerste lezing is ook niet echt van Augustinus. Daarvoor was Augustinus teveel pastor. Maar de woorden worden aan hem toegeschreven omdat zij weergeven wat Augustinus als theolóog gezegd heeft; omdat zij vertellen wat hij geloofde. En voor Augustinus was de hemel, en daarmee ook de plek waar onze overledenen naartoe zijn gegaan heel dichtbij. De hemel was ‘slechts aan de andere kant’. Sterker nog, de hemel is zo dichtbij dat God gewoon oplicht in mensen. En of God nu hier in dit leven zichtbaar is in je dierbare, of dat je dierbare nu bij God is, dat is voor de theoloog Augustinus maar een piepklein verschil. Die ‘andere kant’ en deze kant horen gewoon bij het leven. Zoals God zich uitstrekt naar ons, zo strekt zich ons leven uit over de dood heen.

In de Bergrede prijst Jezus de mensen gelukkig. ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn, de treurenden, de zachtmoedigen, de barmhartigen…, want voor hen is het koninkrijk van de hemel.’ Of zoals Augustinus zegt: want in hen wordt God zichtbaar, in hen strekt Hij zich naar ons uit. Vroeger stond in de Bergrede dan ook ‘zalig’. ‘Zalig wie nederig van hart zijn, zalig de barmhartigen…’ En ‘zalig’, dat weet u, is in de kerk de opmaat om uiteindelijk ‘heilig’ verklaard te worden. Voor Augustinus zijn de scheidslijnen tussen gewoon mens zijn, zalig-zijn en heilig-zijn dan ook flinterdun. En misschien hebben we het ook aan hem te danken dat we Allerheiligen/Allerzielen in één adem vieren.

Heiligen zijn mensen waarin God zich naar ons uitstrekt. En heiligen zijn mensen die meehelpen dat de aarde een klein beetje meer op de hemel gaat lijken, dat we ons dus uitstrekken naar God. — En wat hebben de mensen van wie we net de namen hebben voorgelezen je niet allemaal van de hemel laten zien? Hoeveel goddelijke momenten hebben jullie niet met elkaar mogen delen, waar jullie gelukkig waren, zalig? En waren er niet ook momenten waar je met elkaar de hemel aanraakte, heilige momenten?

Was jullie liefde waarmee jullie elkaar zo gelukkig maakten niet de hemel op aarde? En hoever heeft God zich niet naar jullie uitgestrekt, juist toen het moeilijk was, toen jullie zorgen hadden en toen jullie door de hel gingen? Hoe vaak hebben jullie elkaar er niet doorheen getrokken, omdat jullie bij elkaar toch weer het goede konden zien, omdat jullie in de ander toch weer God konden zien oplichten? Hoe hemels was niet het kopje thee van je moeder na school? En hoeveel heeft niet je kind je van de hemel laten zien toen het zijn of haar talenten ontplooide en een heel eigen weg insloeg? Misschien is je leven door de ander heel anders gegaan dan dat je je had voorgesteld; misschien moet je wel heel erg goed kijken, maar licht niet ook daar iets op van de hemel? En wat te zeggen van al die mensen die proberen om je te helpen je verlies te dragen. En is niet ook de pijn die je nu voelt juist zo groot omdat jullie met elkaar een stukje hemel hebben mogen delen?

Daarom stralen al onze overledenen hier in het licht. Voor het licht dat ze hebben gebracht, voor alles waarin God in hen oplichtte, en voor het licht waarin zij nu mogen leven. Het licht dat zo door alle grenzen heen straalt dat het van gewone mensen heiligen maakt, en dat alle heiligen zo nabij zijn als gewone mensen.

Doe maar gewoon, zegt Augustinus bij wijze van spreken. ’Ik ben mezelf, jij bent jezelf, wat we voor elkaar waren, zijn we nog al tijd. Noem me zoals je me steeds genoemd hebt. Spreek tegen me zoals weleer, op dezelfde toon, niet plechtig, niet triest. Lach om wat ons samen heeft doen lachen.’ Natuurlijk spreek je nog tegen je overledene.

Misschien kijk je daarbij naar de foto, steek je er een kaarsje bij aan. Maar of het lachen nou zo goed wil lukken? ‘Noem mijn naam, zoals je altijd hebt gedaan,’ gaat Augustinus verder, ‘zonder hem te benadrukken, zonder een zweem van droefheid.’ Nee Augustinus, zover zijn we nog niet. De pijn is te groot. Dan zeg je wel dat sterven niet meer is dan dat ons leven zich uitstrekt naar God, maar ondertussen kom ik wel thuis in een leeg huis, en zit ik alleen aan tafel.

Totdat je merkt dat de toon waarop je spreekt weer vertrouwder wordt. Totdat de zweem van droefheid verandert in een gevoel van warmte. Totdat zoals je tranen je opeens kunnen overvallen, je ook net zo plotseling weer kunt lachen om wat jullie samen heeft doen lachen. — Totdat je opeens merkt dat het weer lichter wordt omdat we met onze overledenen samen in het licht staan. Moge het zo zijn.

Ekkehard Muth, 30 oktober 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie