Naar een nieuw thuis

Jeroen-Bosch-De-Verloren-Zoon

Door Jheronimus Bosch (ca. 1450–1516) – collectie.boijmans.nl : Wikimedia.org

Lucas 15, 11-32 (Jozua 5, 9-12)

Op deze zondag van halfvasten kijken we even vooruit naar waar onze weg door de veertig dagen naartoe gaat. Daarom lezen we op deze zondag twee verhalen over thuiskomen. Het volk Israël is na veertig jaar in de woestijn aangekomen in het beloofde land, dat hun nieuwe thuis zal worden. En de verloren zoon komt thuis bij zijn vader en broer. Maar in beide verhalen is thuiskomen niet hetzelfde als terugkeren. In beide verhalen gaat het om een nieuw thuis. Israël komt thuis in een volstrekt nieuw land. En de vader en zijn twee zonen zullen op een heel nieuwe manier met elkaar verder moeten gaan. Vandaag kijken we vooruit naar ons nieuwe thuis.

Ons evangelie legt dan ook meteen de vinger op de zere plek. Hoe is het thuis? Is het er feest of kijk je zoals de vader uit en ben je zoals de zoon onderweg naar een nieuw thuis? En Jezus gaat meteen de diepte in. Hoe is je contact met je kinderen? Immers zijn het je kinderen die deze wereld tot een nieuw thuis zullen moeten maken. Zijn de verhoudingen warm en hartelijk, of zijn jullie elkaar ergens verloren? En hoe is de verhouding met je ouders? Zit je nog liever de peulen voor de varkens te eten dan terug te keren? Of vieren jullie samen feest?

Ergens zijn vader en zoon elkaar kwijt geraakt. Was het misschien, zoals de andere zoon hem verwijt, dat er nooit eens een geitenbokje ervan af kon om met zijn vrienden te vieren? Had je wel voldoende oog voor het eigen leven van je zoon? ‘Al jarenlang werk ik voor u en nooit ben ik u ongehoorzaam geweest.’ Maar u vond het wel zo makkelijk dat we geruisloos úw leven leefden in plaats van ons eigen leven. — Dat is niet de plek waar we thuis kunnen zijn.

Maar de vader beseft dat blijkbaar al lang. Je moet goed kijken om dat te ontdekken, het wordt maar in een heel kort zinnetje gezegd, namelijk: ‘zijn vader zag hem in de verte al aankomen.’ — Was dat toevallig? Keek de vader na al die jaren per ongeluk een keertje op? Of zat hij niet toch al die jaren op de uitkijk? Met andere woorden: er wordt hier uitgebreid verteld over het proces wat de verloren zoon doormaakt, maar wat voor proces heeft die vader niet doorlopen? Blijkbaar is hij veranderd van een vader die niet eens een geitenbokje overheeft in een vader die op de uitkijk zit om de ontwikkelingen en het leven van zijn kinderen vol belangstelling te volgen. Blijkbaar is hij veranderd van een vader die met of zonder zonen liever gewoon zijn eigen gang gaat, in een vader voor wie het een feest is om kinderen te hebben; ook al maken ze het nog zo bont.

Het is geen verhaal van thuiskomen in de zin van terugkeren en op de oude voet verder gaan. Zij zullen met z’n drieën een volstrekt nieuw thuis moeten creëren. ‘Leef in mij’ betekent niet dat de twee zonen gehoorzaam terugkeren naar het leventje zoals het de vader voor ogen staat. Het is ook andersom: zijn twee zonen zullen ook in hem leven.

Maar ons verhaal is breder. We zijn ook heel andere zonen kwijt geraakt. In onze samenleving zijn we de zoon van spiritualiteit en het besef van een diepere betekenis van het leven kwijt geraakt. We zitten te dimdammen of het dit jaar 58.000 of 93.000 vluchtelingen mogen worden, in plaats van te zien dat elke vluchteling een mens is, die net als de vader en net als ieder van ons ernaar uitziet om weer een thuis te hebben. Als je hekken bouwt en met traangas schiet dan zit je menselijk gezien net als de verloren zoon de peulen voor de varkens te eten.

Hoe kunnen we als kerkgemeenschappen ertoe bijdragen dat deze verloren zoon weer thuiskomt? Dat het in de discussie ook weer over menselijke waarden gaat en over dat we in de ander, ook in de vluchteling, het evenbeeld van God zien? Staan we daarvoor net als de vader voldoende op de uitkijk? Of zijn we veel te veel bezig met onze eigen interne bedoening? Zitten we te wachten totdat de mensen weer terugkeren en net als die ene zoon zich geruisloos en gehoorzaam weer voegen in het oude leven van de vader. Even een beetje bezuinigen en maar hopen op de terugkeer van de zoon zodat we op de oude manier van kerkzijn verder kunnen gaan?

Of lukt het ons om net als de vader en zijn twee zonen er een nieuw thuis van te maken? De ellende is dat we gewoon niet weten hoe dat eruit zal zien. Maar Israël is toch maar begonnen aan een tocht veertig jaar door de woestijn. En toen ze aankwamen in het beloofde land, bleek het nog vruchtbaarder dan ze zich ooit hadden kunnen voorstellen; al na één dag konden ze eten van de opbrengst van het land. En wij zijn onderweg door de veertigdagentijd en we kijken vooruit naar ons nieuwe thuis. De vader ziet ons al aankomen, en wij zien hem in de verte staan. Allebei weten we dat thuiskomen niet hetzelfde is als terugkeren, maar we hebben geen idee hoe ons nieuwe thuis eruit zal zien.

De gelijkenis vertelt dan ook niet hoe ze dat gedaan hebben. Maar ze zijn wel begonnen met feestvieren. Niet beknibbelen op een geitenbokje, maar het gemeste kalf, de duurste kleren, dans en muziek. Zo kijken we uit naar een volstrekt nieuw land, naar ons nieuwe thuis.

Ekkehard Muth, 6 maart 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie