Maria én Marta

Lucas 10, 38-42 / Genesis 18, 1-10

Heb je soms ook het gevoel dat je niet goed toekomt aan de dingen waar het eigenlijk om gaat? Je bent druk doende, je agenda zit vol met afspraken, op je werk en ook thuis heb je een aardig to-do-lijstje liggen. Je bent bezig met van alles en nog wat, allemaal interessant en boeiend, maar ergens diep van binnen heb je het idee dat je jezelf voorbijloopt. Je bent een en al Marta, maar ergens diep van binnen zit Maria en je komt er niet goed bij.

Maar misschien zijn je dagen ook leeg. Je geliefde is er niet meer, of je gezondheid is te kwetsbaar om nog als een Marta heen en weer te hollen. Je ziet op tegen de stille weekenden. Alle tijd om je te bezinnen, zou je zeggen, maar dat wil maar niet zo goed lukken. Je maakt je zorgen om jezelf, hoe moet het toch verder met je? En het is, net als bij Sara, alsof het achter een tentdoek verborgen is.

Je kan de vierdaagse lopen als een Marta, puur om de sportieve prestatie, maar de meesten zullen de vierdaagse als Maria lopen: vanwege de gezelligheid en de verbondenheid, of vanwege een goed doel. Misschien uit dankbaarheid voor een overwonnen ziekte, of te ere van iemand die hem niet meer kan lopen. Of toch tenminste om jezelf te overwinnen en om jezelf te overstijgen. En hoe sportief fit jouw Marta ook is, maar dat je het redt om de vierdaagse uiteindelijk ook uit te lopen, ligt waarschijnlijk toch aan Maria in jou.

Martha en Maria in onze evangelielezing, en Sara en Abraham in onze eerste lezing. Marta en Sara zijn druk doende, maar allebei voelen ze aan dat ze ondanks alle inspanningen toch niet toekomen aan waar het eigenlijk om gaat. Marta flapt het uit: ‘Heer, kan het u niet schelen dat mijn zuster mij al het werk alleen laat doen? Zeg tegen haar dat ze mij moet helpen.’ Met andere woorden: ik wil ook aan uw voeten kunnen zitten, maar zo kom ik er niet aan toe.

En Sara? Sara en Abraham zijn al stokoud. Abraham was 100 jaar wordt later verteld en de vruchtbare jaren van Sara lagen al ver achter haar. Natuurlijk hadden ze graag kinderen gewild, God zelf had het hen nog beloofd, maar de belofte van God en hun eigen verlangen zijn nooit in vervulling gegaan. Hun verlangen naar kinderen was zelfs zo sterk dat Sara op een gegeven moment haar slavin Hagar naar de slaapkamer van Abraham bracht om in haar plaats een kind te ontvangen en te baren. Maar ook dat was alweer zo lang geleden. En inmiddels lag zelfs het verdriet om hun kinderloosheid zo ver achter hen dat het na al die jaren niet meer echt pijn wilde doen.

Maar terwijl Sara nu druk doende is om de drie bezoekers een gastmaal voor te zetten, is het alsof dat bijna vergeten verlangen weer wordt aangeraakt. Ze schuift de tentdoek opzij om een blik te werpen op die wonderlijke drie-eenheid buiten in de schaduw voor de tent. En achter de tentdoek onder het stof van de geschiedenis ontdekt ze weer haar oude verlangen: ‘Ik kom over precies een jaar terug,’ zegt een van de bezoekers, ‘en dan zal uw vrouw Sara een zoon hebben.’

Bij die kinderwens gaat het natuurlijk niet om het privé-geluk van het echtpaar Sara en Abraham. Zoals hun leeftijd al hoger is dan mensen kunnen volbrengen, zo is ook wat er nu gaat gebeuren groter dan die twee. Het gaat niet om Abraham en Sara, maar het gaat erom dat de traditie van God en zijn mensen doorgaat. Dat Abraham en Sara aartsvader en aartsmoeder worden van generaties van mensen aan wie God zich verbonden heeft. En dat zij op die manier ook onze vader en moeder worden, zodat wij mensen zijn van God.

Is dat het misschien waar je niet zo goed bij komt? Het zit verborgen achter een zwaar tentdoek met een flinke laag stof er overheen; net als Jezus bij Maria en Marta, zit het bij wijze van spreken in je eigen woonkamer, maar je hebt het gevoel dat je alsmaar niet uit die keuken komt.

In het jodendom is het nog steeds zo dat je jood bent als je uit een joodse moeder geboren bent. Het geloof wordt in eerste instantie niet geestelijk maar juist lichamelijk doorgegeven. De verbondenheid met God is namelijk niet alleen een zaak van een overtuiging die je wel of niet kunt aannemen, maar de verbondenheid met God gaat veel dieper. God zit je in de genen. Augustinus zegt: God zit in je hart. Keer terug naar je hart en herken in het beeld de schepper ervan.

Marta in ons evangelie en de Marta-kant in onszelf voelt dat haarscherp aan. Wat ben ik toch hier aan het doen! Het wordt tijd dat mijn Maria-kant weer de ruimte krijgt. En onze aartsmoeder Sara schuift met de tentdoek ook alle aardse beslommeringen van leeftijd en lichamelijke beperkingen opzij. Het wordt hoogste tijd dat eindelijk geboren wordt wat ons ten diepste draagt.

Laten we goede kinderen zijn van onze aartsmoeder Sara en laten we telkens weer de tentdoek van het alledaagse opzij schuiven. En laten we goede Marta’s en Maria’s zijn. Laat je handen wapperen, maar keer ook regelmatig terug naar je hart.

Ekkehard Muth, 17 juli 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie