God-ten-aarde-opneming

Mariabeeld uit de collectie van Chris Dijkhuis

Woord van welkom
Welkom in de Boskapel. Vandaag vieren we Mariahemelvaart, Maria ten hemel opneming. In de Boskapel hebben we een tijd gehad waarin wij alles wat ouderwets leek overboord gegooid hebben. En omdat Maria in het verleden opgezadeld was met zoveel zoetsappige, beknellende en verknipte denkbeelden, hebben we ook bijna afscheid genomen van Maria zelf. Maar gelukkig heeft zij hier in de Mariakapel en diep in ons hart overleefd.

En dat is meer dan terecht, want zonder Maria is God niet compleet. Zonder haar had God nooit mens kunnen worden, zonder haar zou het nooit tot een ‘God ten aarde opneming’ gekomen zijn; daar ga ik straks meer over vertellen. Maar vooral zou God zonder Maria slechts een mannelijke god gebleven zijn. En dat doet hem geen recht. Naast de machtige arm die jou beschermt, die jouw vijanden verbrijzelt, die je soms ook straft en die je er telkens weer doorheen trekt, heb je ook de vrouwelijke kant van God nodig: de geborgenheid, de warmte, iemand die jou begrijpt, die met je meelijdt en die je toch ook weer sterk maakt.

Het was dan ook eigenlijk een wijs besluit dat onze kerk in 1856 het dogma van de onbevlekte ontvangenis ingesteld heeft. Niet vanwege de beknellende seksuele moraal die daaruit is voortgekomen, maar vanwege het feit dat in alle religies een onbevlekte ontvangenis verwijst naar een goddelijke status. Maria dus, de vrouwelijke kant van God.
Maria, de menselijke kant van God en de vrouwelijke kant, zo is God compleet. En dan hoort ze ook in de hemel opgenomen.

overweging
Lucas 1,39-56 / Openbaring 11, 19a; 12, 1-6a; 10ab

Het deed ons wel even met de ogen knipperen toen onze gereformeerde huisgenoten voorstelden om van de Mariakapel een multifunctionele vergaderruimte te maken. Ook al hebben we ons hier in de Boskapel al lang losgemaakt van al het ouderwetse gedoe rondom Maria, en daarmee ook een beetje van Maria zelf, met haar kuisheid, gehoorzaamheid en al die verknipte rolmodellen die aan haar werden toegeschreven, toch konden we ons in de verste verte niet voorstellen dat er ooit iemand op het idee zou kunnen komen om in een Mariakapel te willen vergaderen. Voor katholieken en voor iedereen die een beetje gevoel heeft voor het overstijgende is dat alsof je de Statenbijbel gebruikt als onderlegger voor een wankele kast.

Hoe kan het toch dat je zo verschillend tegen Maria aankijkt? Ik denk dat wij katholieken daar een beetje zelf schuld aan zijn, en eigenlijk Maria zelf ook. Op 31 mei heeft Door Hezemans dat in haar lezing hier in de Boskapel goed uitgelegd. Wat hebben we Maria in de geschiedenis toch opgezadeld met bekrompen en meestal mannelijke denkbeelden. Van haar maagdelijkheid hebben we gemaakt dat seksualiteit een noodzakelijk kwaad zou zijn omwille van de voortplanting. Van haar gehoorzaamheid hebben we een rolmodel gemaakt voor de gehoorzame vrouw. En van de rozenkrans, die ooit een spirituele oefening was, hebben we een rigide plichtpleging gemaakt als vergelding voor je zonden.

Aan het begin van de viering heb ik al iets gezegd over onze mannelijke kerk die moeite heeft met het vrouwelijke, daar ga ik nu niet verder over uitweiden. Dat is al uit den treure bekend. Maar hier ligt wel onze eigen schuld dat Maria het zo moeilijk heeft. En kan je het dan een gereformeerde kwalijk nemen dat hij van zo’n Maria niet warm of koud wordt?

Maar ook Maria zelf is daar een beetje debet aan. Natuurlijk niet Maria als persoon, maar Maria in ons geloof. We vieren vandaag Maria ten hemel opneming, maar, ik zei het al, daar gaat aan vooraf dat zij het is die God ten aarde opgenomen heeft. In elke godsdienst gaat het erom hoe je als mens dichter bij God kunt komen, maar in het christendom gaat het ook om de andere beweging: hoe kan God dichter bij zijn mensen komen. Hoezeer je als gelovige verlangt naar God, nog veel meer verlangt God naar zijn mensen. In onze eerste lezing uit Openbaring wordt dat in een geweldig kosmisch beeld beschreven: de vrouw, bekleed met de zon, staande op de maan, de slang vertrappend en de sterren om haar hoofd, schreeuwt het uit van de barensweeën. Zozeer verlangt God ernaar om uit zijn hoge hemel tot leven te komen in zijn mensen.

En in Maria gebeurt het: komt God tot leven. Zo lichamelijk en zo werelds als het maar kan zijn. In onze tweede lezing ontmoeten Maria en Elisabeth elkaar en voelen ze hun kinderen springen en trappelen. In Maria komt God niet alleen dichtbij, hij wordt ook nog eens zelf mens. Zonder Maria was hij opgesloten gebleven in zijn hemel. Maar door Maria komt hij dicht bij zijn mensen.

En als je daar een beetje verder theologisch op doordenkt, dan kan je je afvragen waar God zeg maar ophoudt en waar de mens begint. Wordt God in Maria niet teveel mens, en wordt Maria soms niet een beetje teveel God? — En hier scheiden zich de geesten. Voor de één is het belangrijk om een duidelijke scheiding tussen God en mensen te trekken. In die groep horen ook de gereformeerden thuis; en geef ze eens ongelijk als je ziet wat er allemaal zogenaamd uit naam van God gebeurt. Voor de ander kan God niet dichtbij genoeg komen. Want hoe moet je toch dingen als misbruik, terreur, maar ook ziekte en dood doorstaan? En wat is de mens überhaupt nog waard als God niet in hem tot leven komt? Augustinus heeft dat uitgedrukt in zijn ‘keer terug naar je hart’. Keer terug naar je hart, naar je lichaam, naar je ziel, naar je geest, en zie hoe God daarin lichaam en bloed wordt.

In die zin zijn wij allemaal Maria. En als je dan aan de Mariakapel komt dan kom je ook aan ons. Niet zozeer aan ons persoonlijk, want zo fantastische Maria’s zijn wij nou ook weer niet, en we weten maar al tegoed dat het ons maar zeer gebrekkig lukt om God tot leven te laten komen. Maar je doet God zelf tekort in zijn verlangen om telkens weer mens te worden. Als je de Mariakapel sluit, dan sluit je God weer op in zijn hemel.

Vandaag vieren we Maria ten hemel opneming, maar het gaat om God ten aarde opneming. Dat God hier kan volbrengen wat Maria in haar lofzang bezingt: ‘mijn ziel prijst en looft de Heer, mijn hart juicht om God, mijn redder.’ Hij heeft oog voor de kleinste mensen, de machtigen stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien; wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen; hij trekt zich het lot aan van zijn mensen en zij zullen leven in barmhartigheid. — Hier komen alle dromen van God en alle dromen van de mensen bij elkaar.

Maria zij dank.

Ekkehard Muth 14 augustus 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie