‘Driemaal gelogen, driemaal bekend’ (Augustinus)

Saint_Augustine_Portrait

By Sandro Botticelli – The Yorck Project: 10.000 Meisterwerke der Malerei.

Johannes 21, 15-19

Zoals ik aan het begin van de viering al zei, het was een idee van Gerard Dierick, en Chris Dijkhuis maakte er uiteindelijk werk van. Als er een keertje een lezing aan de beurt is waar Augustinus ook over gepreekt heeft, zou het dan niet interessant zijn om dan eens naar de preek van Augustinus te kijken? En ja, weken geleden ontdekten we dat Augustinus en het leesrooster vandaag bij elkaar zouden komen. In het jaar 412, vandaag precies 1604 jaar geleden heeft Augustinus over ons evangelie gepreekt.

‘Driemaal gelogen, driemaal bekend’ is het thema dat hij aan zijn preek heeft meegegeven. En zoals we dat van Augustinus gewend zijn, is het een preek die aan de ene kant midden in het leven staat. Zo neemt hij bijvoorbeeld geen blad voor de mond als hij zegt: ‘Petrus was eerst een brutale opschepper, en vervolgens ook nog een bange leugenaar.’ Maar aan de andere kant is het ook een heel vrome preek, met een vroomheid die wij in onze tijd en zeker in de Boskapel niet meer kunnen volhouden.

Maar het is heerlijk om op die manier terug te gaan naar onze inspirator. En ik ga de uitdaging graag aan, al doe ik dat uiteraard met gepaste nederigheid. Ik stel me al nederig op ten opzichte van mijn naamgenoot de oude mysticus Meister Eckehard. En ik hoop al helemaal dat mijn ‘verjaardagsgenoot’ Augustinus het me niet kwalijk zal nemen als ik met zijn preek aan de haal ga.

Laten we eerst Augustinus spreken: U weet nog wel, zegt Augustinus, dat Petrus als eerste van alle apostelen helemaal in de war was bij het lijden van de Heer. In de war door zichzelf, maar Christus heeft hem nieuw gemaakt. Petrus was eerst een brutale opschepper, en vervolgens ook nog een bange leugenaar. Toen de Heer voor hem zou gaan sterven, had hij beloofd om daarna voor de Heer te sterven. Hij zei: ‘Ik zal met U zijn tot aan de dood.’ en ‘Ik ben bereid om mijn leven voor U te geven.’ Maar de Heer zei: ‘Zo? Ben je bereid je leven voor Mij te geven? Waarachtig, Ik verzeker je: voordat de haan kraait, heb je Me driemaal verloochend.’ —

Prachtig hoe Augustinus dit in gewone taal vertelt. Maar vervolgens doet hij twee dingen waarvoor je vandaag de dag als theologiestudent zou zakken, namelijk: hij komt met een wel al te gemakkelijke verklaring die u waarschijnlijk niet meer zou pikken. En hij haalt bijbelcitaten aan die hij kriskras bij elkaar harkt; dat is tegenwoordig een doodzonde want je kan niet zomaar elk bijbelboek ‘voor het karretje van het andere spannen’. Hij zegt: Toen kwam het uur van de waarheid. En omdat Christus God was en Petrus een mens ging het schriftwoord in vervulling: ‘Ik zei in mijn angst: “elke mens is een leugenaar”’. Ook Paulus zegt: ‘God is waarachtig, maar elke mens is een leugenaar’. Waarachtig is Christus, de leugenaar is Petrus.

Ik denk dat het een beetje te makkelijk is om te zeggen: Christus was God en Petrus was maar een mens, daarom kon de een wel volhouden en maakte zich de ander er met een leugen van af. ‘Ben jij niet ook een leerling van hem?’, ‘Nee, ik niet!’ — Augustinus kijkt hier heel dualistisch tegen de mens aan. Zolang je slechts mens bent, wordt het niet echt wat met je, maar zodra Christus je nieuw maakt, dan komt het wel goed. We kennen andere uitspraken van Augustinus waar hij deze tegenstelling juist weer overbrugt: ‘Keer terug naar je hart en herken in het beeld de schepper ervan.’

Maar hier slaat hij de vrome weg in, Petrus, de oude mens moet door Christus nieuw gemaakt worden. Eerlijk gezegd zou ik het liever hebben gehad dat Augustinus bij zijn krachtige en gewone taal was gebleven. Gewoon dichtbij de mensen. En dat hij ook Petrus gewoon mens had laten blijven. Want als er iemand is die het menszijn heeft uitgevonden dan is het Petrus wel. Petrus belichaamt al je dromen en idealen, maar tegelijkertijd belichaamt hij op een pijnlijke manier ook al je tekortkomingen en alles waar je je voor schaamt.

Hij is de eerste die voluit belijdt dat Jezus de Messias is. ‘En als ik met u zou moeten sterven, ik zou u niet in de steek laten.’ Maar de haan heeft nog niet gekraaid of hij heeft Jezus al drie keer verloochend. Als hij Jezus over het water ziet lopen stapt hij zonder te aarzelen uit de boot, maar na drie stappen plonst hij gewoon in het water. — Petrus, dat is dé mens, Petrus, dat bent u en dat ben ik. Wij barsten aan de ene kant van de goede bedoelingen, we hebben grootse idealen en we zijn de goedheid zelve. Maar we kennen ook de andere kant, dat we eieren voor ons geld kiezen, dat we de ander in de steek laten, dat we onze eigen idealen opofferen en uiteindelijk ook onszelf verloochenen.

Ik ervaar het dan als troostend dat juist een mens zoals u en ik de opdracht krijgt ‘hoed mijn schapen’. Dat wij, zo groot en zo klein van hart als we hier zitten, de opdracht krijgen om Gods bedoelingen waar te maken. — Beste Augustinus, komt God dan niet veel dichterbij dan in een mens die eerst nog door Christus nieuw gemaakt moet worden?

Maar Augustinus heeft daar toch een ietwat ander antwoord op. Nadat hij Petrus eerst voor opschepper en leugenaar heeft uitgemaakt gaat hij verder: Wat horen we vandaag? Wel, de Heer ondervraagt hem: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief?’ Petrus antwoordt: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd.’ Voor de tweede maal stelt de Heer deze vraag, dan voor een derde maal. En verderop gaat Augustinus verder: Petrus richtte zijn blik op zijn hart. Vol vertrouwen antwoordde hij wat hij daar zag: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd. Wat ik u zeg weet U al. Wat ik in mijn hart zie, dat ziet U ook.’ — Was Pétrus dus eerlijk? Of was Chrístus eerlijk, in Petrus?

Hier klinkt weer het ‘keer terug naar je hart’, dat wij beeld en gelijkenis zijn van God. Je bent weliswaar mens met al het beschamende en alle mislukkingen van dien, maar je moet vooral verder kijken: kijk ook naar je hart en zie in het beeld de schepper ervan. Naast drager van al het beschamende ben je tegelijkertijd ook drager van God. ‘Hoed mijn schapen.’

En dan gaat het weer te gemakkelijk voor onze begrippen, Augustinus redeneert: Petrus was natuurlijk bang voor de dood toen hij Christus verloochende. Hij was bang voor het lijden dat de Heer heeft doorstaan, maar nu hoeft hij niet meer bang te zijn. Want door zijn verrijzenis heeft Christus de angst voor de dood weggenomen. Dat klinkt wel heel erg zwart wit, alsof je alleen maar de knop hoeft om te zetten: oude mens uit, nieuwe mens aan. Of mens uit, hart aan.

Maar tegelijkertijd is het ook vertederend hoe Augustinus ons met deze verklaring toch in bescherming wil nemen. Ik had het misschien liever gehad als hij Petrus wat menselijker had neergezet, niet oude mens uit — nieuwe mens aan, maar oude en nieuwe mens tegelijk. Maar het is ontroerend dat de grote bisschop en kerkvader Augustinus zich hier zo menselijk en zo dichtbij toont.

En hij sluit af: En omdat Christus de angst voor de dood heeft weggenomen, mag Hij vragen naar de liefde van Petrus. Driemaal heeft de angst gelogen, driemaal heeft de liefde bekend.

Petrus, de brutale opschepper en bange leugenaar, werd na zijn roeping uiteindelijk een goede herder, en Augustinus toont zich al helemaal als herder. En wij, bange opscheppers en goede herders tegelijk, laten ook wij elkaar hoeden.

Ekkehard Muth, 10 april 2016

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie