Brood voor het leven van de wereld (Sacramentszondag)

Deze zondag heeft het Sacrament van de Eucharistie als onderwerp en sluit aan op wat in de volksmond ‘Sacramentsdag’ heet. Volgens de Concilies van Lateranen (13e eeuw) en van Trente (16e eeuw) veranderen brood en wijn tijdens de Eucharistie in Jezus’ Lichaam en Bloed. Wat we op het altaar zien is Christus zelf.
Volgens de theologie van Augustinus uit de 4e eeuw vormen wij samen het Lichaam van Christus en zijn de gaven op het altaar een teken van wat we zelf zijn: brood voor het leven van de wereld.

Lezing: Lucas 9, 11-17: ‘Geven jullie hun maar te eten!’

Overweging

Van oudsher wordt in de katholieke liturgie de dienst van het woord gevolgd door de dienst van de tafel. Ook de Boskapel heeft, als zelfstandige geloofsgemeenschap, deze traditie weten te bewaren. Er wordt een teken gesteld, waarin de zin van de woorden zichtbaar wordt. Brood wordt gebroken en uitgedeeld aan mensen die naar voren komen met opgehouden hand. Uitdeler en ontvanger kijken elkaar even aan: ’Amen’ zeg je dan op de gaven die je ontvangt. Wat drukken we daarmee uit, met die rite, dat spel? Dat wij instemmen met het Evangelie, dat ons is aangezegd: ‘Ja, dat lichaam van Christus wil ik zijn, zijn handen en voeten voor het leven van de wereld’.

Ieder mens weet op een of andere manier dat leven breken en delen is, omdat het anders geen leven is. Je bent gevoed, totdat jezelf iemand bent die anderen voeden kan. In het brood dat je voor jezelf en anderen op tafel brengt, lig je zelf op tafel; zelf ben je brood geworden , leeftocht voor anderen. ‘Wie wil geven wat hij heeft, die zal leven, opgegeten, die zal weten dat hij leeft’ (Oosterhuis). Leven is nu eenmaal ook: verslijten, verouderen, verbruikt worden, langzaam maar zeker sterven. Of om het poëtischer te zeggen: uitgezaaid worden, als graan gemaaid, gedorst, vermalen verzameld tot brood, opgegeten om opnieuw mens te zijn; als druiven geplukt, geoogst, geperst, gedronken uit de levensbeker, zoet en zuur.

In het Evangelie van vandaag neemt Jezus brood en vis, hij spreekt er een zegen over uit, breekt het en geeft het aan zijn leerlingen om het uit te delen aan de menigte. Daarmee leert hij hen dat ze moeten geven wat ze hebben, ook al denken ze zelf dat er niet genoeg is. Ze moeten zichzelf tot brood maken voor de hongerlijders; wij moeten ons laten bezielen door het verlangen naar een wereld waar brood en recht is voor allen.

Breken en delen, zijn wat niet kan, doen wat ondenkbaar is…, gewoon beginnen!

Maar bepaalde dienaren van de Eucharistie houden er een veel statischer beeld op na. Zij houden zich aan de kerkleer van Lateranen en Trente: ‘de priester verandert het brood in Jezus’ lichaam en de wijn in zijn bloed’. De hostie wordt vereerd als een soort relikwie, losgemaakt van het samen eten, het breken en delen.

Gelukkig heeft het Tweede Vaticaans Concilie ons weer dichter bij de oorspronkelijke betekenis gebracht die ook doorklinkt in de preek en de theologie van Augustinus. Niet wij veranderen brood en wijn in Jezus’ lichaam en bloed, Hij is niet ons bezit. Maar door onze oprechte deelname aan de Communie zullen brood en wijn óns veranderen! Wij zullen van chaotische, onsamenhangende, eenzame mensen veranderen in het lichaam van Christus, als wij, Hem achterna, proberen te kiezen voor de weg van breken en delen.
Daar waar aan de statische leer voor de Eucharistie wordt vastgehouden, worden ook scherpe scheidslijnen getrokken over wie wel en wie niet te communie mogen.

Als stof tot nadenken, geef ik u tot slot het volgende verhaal mee, dat ik ergens las:

Bij de uitvaart van een jongen van 17 gaven velen van zijn vrienden en vriendinnen te kennen wel een afscheidsviering in de kerk te willen, maar liever geen communie. Voor velen van hen was dat al zolang geleden, en het zei hun niets. Maar de ouders wilden juist wel graag een Eucharistie-viering. De pastor kwam met het volgende compromis: aan de éne kant zou hij staan met het gezegende brood dat aan Jezus deed denken en aan de andere kant een leraar met een schaal waarop de prentjes lagen die aan Marcel deden denken. Dan kon iedereen zelf kiezen. Na het ‘Onze Vader’ kwam ieder naar voren, en wat bleek: iedereen nam eerbiedig eerst de hostie, en daarna het prentje! Jong en oud zei na de viering zich heel sterk verbonden te hebben gevoeld.

Misschien voelden ze zich, al zullen ze dat niet zó onder woorden brengen, wel het lichaam van Christus, net zoals die 5000 van het Evangelie. Aan hen vroeg Jezus te gaan zitten om samen te eten. Hij stuurde niemand weg, wat de leerlingen aanvankelijk wel wilden. Er werd daar niet gevraagd: ben je er een van ons? Ben je jood of Samaritaan? Waar kom je vandaan? Heb je een doopbewijs; hoe leef je samen? Laat ze allemaal gaan zitten, zei Jezus, en deel! Zo hoort het ook te gaan met ons samenleven buiten het kerkgebouw: dat je brood en beker, lief en leed wilt delen, dwars over alle grenzen heen. Hij die wij hier gedenken, deed niet anders!

Joost Koopmans osa

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Geef een reactie