Wie ben ik?

moeilijk lerenDit huis vol mensen, weet jij wie het zijn? zongen we zojuist. Weten we van elkaar wie we zijn? Vaak kennen we mensen van gezicht maar weten we niet welke naam erbij hoort. Of als de diaconiegroep een kaart heeft voor een zieke, weten we bij de naam geen gezicht te bedenken. Toch vormen we een gemeenschap van mensen die ’s zondags samen zingen en bidden en en dat schept een heel andere band dan je misschien als collega’s op het werk zou hebben, of met vrienden met wie je eens per week gaat sporten.

Al deze groepjes mensen kennen een of meer facetten van jou, ze hebben misschien een andere mening over jouw karakter. Je medesporters kennen je als enorm fanatiek, terwijl je van je kleinkinderen expres een spelletje kunt verliezen.

Wie je in wezen bent leer je door je te spiegelen aan al die anderen, maar uiteindelijk zul je een keer zeggen: dit is wie ik werkelijk ben. Laten we bij deze zoektocht de hulp inroepen van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.

Overweging

Wie je bent, onze persoonlijkheid, wordt voor een groot deel gevormd in onze vroegste jeugd. Natuurlijk heb je een aantal aangeboren eigenschappen, maar hoe die zich ontwikkelen hangt toch vaak af van de omstandigheden waaronder je opgroeit.

Mijn broertje Henk was twee jaar jonger dan ik. Als peuter was hij ernstig ziek geweest en als gevolg daarvan was hij op school een schriel ventje dat ook nog eens slecht kon leren. Mijn vader was ernstig teleurgesteld in zijn stamhouder en liet dat merken ook. Toen kreeg Henk in de vierde klas ook nog een meester die hem steeds als hij iets niet wist, strafwerk gaf. Henk kroop steeds verder in zijn schulp. Mijn ouders beseften wel dat het zo niet kon doorgaan. Daarom werd hij geplaatst op de LOM school van de broeders van Maastricht. Ik kan me nog steeds verbazen over de snelle verandering die dat teweeg bracht. Op die school werd gekeken naar wat hij wèl kon, hij deed volop mee aan alle activiteiten, kreeg vriendjes en deed het later ook goed op de gewone technische school.

Voor een kind is de omgeving enorm belangrijk, maar voor volwassenen natuurlijk ook. Onze mening over onszelf wordt steeds getoetst aan wat anderen over ons denken. Misschien zijn we zelfs we te gemakkelijk te beïnvloeden. In onze tijd is iemands uiterlijk steeds belangrijker geworden. Steeds weer nieuwe kleren, botox-behandelingen en totale make-overs, moeten ons iedere keer nieuw geluk brengen.

Toch blijkt na enige tijd meestal dat het zo niet werkt. Degene die aan zichzelf heeft laten sleutelen, is weer op het punt van uitkomst. Of wie weet, nog verder van huis. In elk geval heeft het niet het verhoopte geluk gebracht. Het is denk ik belangrijker om te zien hoe mensen oordelen over je innerlijk en over je daden dan over je uiterlijk.

Zo vraagt Jezus aan zijn leerlingen: “Wie zeggen de mensen dat ik ben?” Inmiddels -we zijn hier al over de helft van Marcus’ evangelie- is de geruchtenmachine in volle gang. Over Jezus’ wonderdaden is al heel wat bekend. Blinden zien weer, doven horen en stommen spreken. Elia, zeggen de leerlingen, voorloper van de Messias of Johannes de Doper, nóg een voorloper van de Messias. Maar de mensen kennen de ware identiteit van Jezus niet. Ze zitten er naast. Dan vraagt Jezus aan zijn leerlingen of zij wel een idee hebben met wie ze tot nu toe zijn meegetrokken. Petrus durft het te zeggen: geen voorloper maar de Messias zèlf! Die zit! In zijn achterhoofd heeft hij nog het idee, dat de Messias zal komen om het joodse volk te bevrijden van de Romeinse overheersing. Maar, dan blijkt hij er in tweede instantie toch nog naast te zitten. Want nu probeert Jezus hem duidelijk te maken, dat hij weliswaar de Messias is, maar toch een pijnlijke en verachtelijke dood zal sterven. Dat had Petrus niet verwacht, het klopt niet met het beeld dat hij van Jezus heeft! Hij begint te protesteren, dat kan toch niet waar zijn! Eigenlijk eist hij van Jezus dat die zich schikt naar dat beeld dat hij van hem heeft. Met als gevolg dat Jezus hem streng terecht wijst. Hij noemt hem zelfs Satan, de verleider. Petrus probeert immers Jezus over te halen zijn onvermijdelijke lot te ontlopen. Hij kan zich er niet bij neerleggen dat zijn leermeester en vriend geen glorieuze toekomst tegemoet gaat.

Als wij in aanraking komen met lijden, van onszelf of van anderen, wordt vaak pas goed duidelijk wat voor mensen we eigenlijk zijn. Willen we er niet aan, zoals Petrus? Of accepteren we het zoals Jesaja of Jezus, als iets wat bij het leven hoort?

Velen van ons bedenken van te voren hoe we op een bepaalde situatie van lijden zullen reageren. Als ik dát niet meer kan, als het leven zo ontluisterend wordt, dan moeten ze me maar een spuitje geven, hoor je dan. Terwijl diezelfde mensen als ze werkelijk ernstig ziek of invalide worden, onvermoede krachten blijken te bezitten, die henzelf misschien nog het meest verbazen.

Maar er is er dan ook Een, die zoals Augustinus het zegt: ons dichterbij is dan wij onszelf. Een die ons steunt als wij het moeilijk hebben en ons kracht geeft om het uit te houden.
Vaak zien we dan toch nog hoe mooi het leven kan zijn, al heb je minder energie dan vroeger. We kunnen zelfs voor anderen nog iets betekenen, zoals blijkt uit de opmerking van ziekenbezoekers: “ik ging er heen om te troosten maar ik werd zelf getroost.”

De ware aard van mensen komt boven in moeilijke situaties van lijden en sterven. En daar in hun binnenste ontmoeten zij God.

Annemiek Alferink

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie