Putten in Bezield Verband

EmmerLezing: Johannes 4, 1-24

“Maar heer,” zei de vrouw, “u heeft geen emmer en de put is diep — waar wilt u dan levend water vandaan halen?” Jezus en de Samaritaanse vrouw zitten bij de bron van Jakob. De aartsvader Jakob is de zoon van Isaac en de kleinzoon van Abraham, en hij is zelf de vader van de twaalf zonen waaruit de twaalf stammen van Israël zullen voortkomen. Hij is de aartsvader van Israël dus, en zo ook de aartsvader van de joods-christelijke traditie waarin wij staan.

De oom van Jakob is trouwens Ismael, en dat is weer de stamvader van de islamitische traditie. En Jakob is ook degene die aan zijn oudere tweelingbroer Esau op een slinkse manier het eerstgeboorterecht ontfutseld heeft. — Het stamvader zijn van Jakob, het aartsvader zijn begint dus niet bepaald vlekkeloos. Nog voor dat er echt water uit de bron geput wordt is de emmer van Jakob al flink gebutst. De aartsvaders zijn net mensen.

“De put is diep,” zegt de vrouw en ze heeft gelijk, want de bron van Jakob, dat is de bron die via Jakob, Isaac en Abraham teruggaat naar God zelf. Het is de bron waar alle Abrahamitische religies uit drinken, namelijk Joden, Christenen en Moslims. — We drinken samen uit dezelfde bron. Alleen onze emmers zien er wat anders uit.

Vandaag is het Carnaval, het hoogfeest van jezelf op de hak nemen. En volgens mij kan je de kwaliteit van een godsdienst daaraan aflezen in hoeverre de gelovigen in staat zijn om om zichzelf te lachen. Het begon dus al met die gebutste emmer van Jakob, maar hoe zien onze emmers eruit?

Hou zou toch de doopsgezind-remonstrantse emmer eruit zien? Stijn Fens schreef na een bezoek aan een remonstrantse kerk in juni verleden jaar in Trouw: “Het aanvangstijdstip van de viering is aan de late kant. Het kan niet anders of de God van de remonstranten houdt van uitslapen. Volgens mij miste deze poster in de reclamecampagne: ‘Mijn God slaapt uit.'” Trouwens, de God van de Boskapellers staat nog later op, hoewel als de Boskapellers komen heeft hij al een hele zit met de gereformeerd-vrijgemaakten achter de rug. Maar Stijn Fens schrijft verder:

“Van de gelovigen is het merendeel de zestig gepasseerd. Ze lijken me van het duurzame soort. Zo stel ik me voor dat ze vaste klanten zijn van de biologische supermarkt, meedoen aan de jaarlijkse vogeltelling en voorstander zijn van windmolens. Kortom: een soort GroenLinks op religieuze grondslag. Er is een gastpredikant. Ik blijk hem goed te kennen. Onlangs stapte hij vanuit de rooms-katholieke kerk over naar de remonstranten. Dat ging met de nodige publiciteit gepaard.”

De doopsgezinden kennen geen kinderdoop, want het is zoals het op de poster van de remonstranten staat: ‘mijn God laat me zelf denken’ en daar moet je wel volwassen voor zijn. En ‘mijn God doet niet aan dogma’s’, het gaat puur om je eigen geloof. Ik denk dan ook dat de emmer van de doopsgezind-remonstranten een beetje lijkt op een melkbus, want iedereen heeft er wel iets in de melk te brokkelen.

De Effata-emmer lijkt wel op een eigen klein emmertje dat in de grote rooms-katholieke tobbe drijft. Die grote emmer is al heel lang in gebruik en er heeft zich dan ook op de bodem en langs de wanden een dikke kalklaag gevormd. Dat heeft zo zijn voordelen, want door die verkalking is die tobbe robuust en absoluut waterdicht. De dogma’s en regels staan muurvast, je krijgt er geen speld tussen. En zelfs al zou de bron zelf opdrogen, dan nog zou van het water van het rechte geloof niets weg kunnen zijpelen. Alleen door al het kalk is er bijna geen plek meer voor het water, en het is maar de vraag of het Effata-emmertje niet een beetje vast komt te zitten. Maar vanuit Rome probeert de paus met een grote wijwaterkwast al wat kalkoplosser naar Nederland te sprenkelen, en als die Effata-emmer blijft bewegen brokkelt het kalk misschien gauw af, wie weet.

Die emmer van de Augustijnen dan. Tja, dat is een geval apart. We weten allemaal dat Augustinus zich in zijn jonge jaren niet bepaald bekommerde om die emmer, hij was meer bezig met meisjes, drank en stappen, hij zocht het eigenlijk eerder buiten de deur. Later zou hij dan ook schrijven: ‘u was binnen in mij en ik zocht u buiten. Daarbuiten dool je rond vervreemd van jezelf. Keer terug naar je hart, want daar bevindt zich het beeld van God.’ De emmer van de Boskapel lijkt volgens mij meer op een platte schaal. Bij de geringste beweging klotst het water heen en weer, en het gutst ook gauw over de rand. Maar dat vinden de Boskapellers niet erg. Want net als Augustinus proeven ook zij graag van het leven buiten de emmer. Vaak zijn ze in het verleden letterlijk overgelopen omdat er in de emmer waarin ze zaten steeds minder ruimte was. Of ze zijn maar zelf wat gaan stromen. En ze vinden het eigenlijk best dat die schaal niet zo’n hoge rand heeft. Zo kan je er makkelijk over heen kijken, en als Augustinus roept: keer terug, dan kom je er ook net zo makkelijk weer in.

Ik ga nu verder geen grapjes maken over Joden, dat kunnen zij namelijk zelf als geen ander. Volgens mij is het jodendom met zijn ontwapenende witz wel de religie waar nog het meeste gelachen wordt. En moslims zullen toch zeker ook veel lachen, althans dat hoop ik. Alleen voor de scherpslijpers in welke godsdienst dan ook valt er niets te lachen.

“De put is diep,” zo diep dat helemaal onderin God zelf opwelt. En sinds Jakob proberen we allemaal om er met onze gebutste, verkalkte en onhandig gevormde emmers water uit te putten. Is dat wel zo’n goed idee? Als je goed kijkt gaat het in onze lezing namelijk heel anders. De Samaritaanse stelt op gegeven moment vast: “maar heer, u hebt helemaal geen emmer!” En toch blijkt het levend water volop te stromen. In het evangelie wordt dat weergegeven door het wonderlijke verhaal dat Jezus de vrouw door en door blijkt te kennen. En dit gekend worden en erkend worden is voor haar als levend water.

Misschien zitten we sinds Jakob met onze emmers, kruiken en kommen het water meer in de weg dan dat we het echt boven krijgen. Uiteindelijk blijkt de bron vanzelf te stromen. En ook nog eens op een onverwachte plek, namelijk bij de Samaritanen en niet in het deftige Jeruzalem. En uiteindelijk, zegt Jezus, “komt een tijd, en de tijd is nu gekomen, dat (het water) noch op deze berg, noch in Jeruzalem” zal stromen. Maar overal waar mensen hun gebutste en verkalkte emmers laten staan en waar we ‘in Geest en waarheid’, zoals Jezus het noemt, God zelf uit de bron laten opwellen.

Laten we zo samen drinken uit die ene bron. Amen

Ekkehard Muth

Dit bericht is geplaatst in Nieuws. Bookmark de permalink.

Geef een reactie