Levend brood worden

Johannes 6, 41-51

Ben je weleens ‘levend brood’ voor iemand geweest? Toen bijvoorbeeld iemand in jouw omgeving net als Elia in de put zat, ben je dan wellicht zo’n lekker vers brood geweest en een kan verfrissend water? Of misschien heb je het zelf een keertje mee mogen maken dat een ander voor jou levend brood was. Dat je dan weer nieuwe moed krijgt, nieuwe kracht, en dat je dan weer verder kunt?

Misschien heb je het helemaal niet door, en je loopt er zeker niet mee te koop. Je roept niet zoals Jezus ‘ik ben het brood dat leven geeft!’ Maar misschien geef je ongemerkt aan je kinderen en kleinkinderen iets mee waardoor ze gelukkiger kunnen leven, waardoor ze bemoedigd worden, en zonder dat je het door hebt zijn ze door jou geïnspireerd om beter te kunnen liefhebben of om zelf weer voor anderen tot brood te worden.

Misschien ben je gewoon maar een goede echtgenoot, een goede vriend of vriendin, misschien kan je goed zorgen of sta je positief in het leven. En misschien weet je ook helemaal niet of je nou wel zo goed bent, maar breng je toch leven en licht, en ben je voor anderen als heerlijk verfrissend water en als vers knapperig brood.

Er is veel discussie over hoe je de zogenaamde ‘ik-ben-woorden’ van Jezus moet opvatten. En zoals altijd in dit soort discussies heb je aan de ene kant degenen die het allemaal letterlijk opvatten, en aan de andere kant degenen die zeggen dat je het symbolisch moet zien. Zou Jezus werkelijk rondgelopen hebben en geroepen hebben ‘ik ben het brood dat leven brengt’? – In onze evangelielezing wordt het in ieder geval zo neergezet, en de joden vinden het dan ook aanmatigend en godslasterlijk. Hoe kan hij toch zoiets zeggen, alsof hij het brood was toen bij Elia en nog veel eerder: het manna in de woestijn!

Maar daar staat tegenover dat het in het jodendom juist gebruikelijk is om dit soort woorden uit de heilige schrift mediterend te herhalen. Zeg maar zoals je dat ook met de rozenkrans doet; kruis slaan, geloofsbelijdenis, drie weesgegroetjes, onze vader en vervolgens de vijf ‘tientjes’. Of met het rozenhoedje met slechts de ‘geheimen’ van de betreffende dag. Als je zo vijftig weesgegroetjes bidt dan wordt het bidden niet meer iets wat je doet, maar dan neemt het gebed bezit van je hele geest en lichaam, dan ben jezelf het gebed. – Ik ben het brood dat leven geeft.

Om een Schriftwoord zo bezit van jezelf te laten nemen, dat was en is nog steeds een gangbare methode om je de schrift eigen te maken. En Johannes gebruikt deze ik-ben-woorden in zijn evangelie dan ook heel bewust. Zeg maar als een soort kraal van de rozenkrans. Even stilstaan, even het gehoorde en gezegde verinnerlijken. – Ik ben het brood dat leven geeft, ik ben het brood dat leven geeft, ik ben het brood…

Voor deze herfst werd ik gevraagd om op de Saxion Hogeschool in Deventer vier lesuren christendom te geven. Naast hun eigen vak moeten de studenten ook een aantal bijvakken volgen, en één daarvan is het vak ‘algemene ontwikkeling’. En degene die dat coördineert vindt gelukkig dat kennis van het christendom bij je algemene ontwikkeling hoort. Bij de voorbereiding van die lesuren bekruipt me soms het gevoel dat die lessen een soort dierentuin dreigen te worden: alsof de studenten een beetje door het hek naar de gelovigen staan te kijken. En dan wordt me eens temeer duidelijk dat je gelovig zijn niet kunt bevatten door er van buitenaf naar te kijken, maar gelovig zijn moet je van binnenuit beleven. – Nu ga ik heus niet proberen om op de hogeschool zieltjes te winnen, maar ik zal wel proberen om de studenten een kijkje van binnenuit te laten nemen.

En dat probeert Johannes in ons evangelie ook: Je moet God niet in een dierentuin zetten en er van buitenaf naar kijken. Je moet niet observeren hoe God zus doet of zo doet, je moet veelmeer van binnenuit zelf doen wat God zou doen. Je moet niet als de Schriftgeleerden de schrift tot studieobject maken, maar je moet zelf het woord zijn. Je moet niet over het brood praten, je moet het brood zijn.

Misschien merken de joden in ons verhaal, dus de geestelijken, dat Jezus een stap zet die hen net niet lukt. Jezus verkóndigt geen boodschap, Jezus wordt zelf de boodschap.

Wanneer ben je weleens zelf ‘levend brood’ voor iemand geweest? Of wanneer is er iemand anders voor jou brood geweest? Vaak hebben we dat gewoon niet door, en dat is maar goed ook. Want op het moment dat je kunt zien: o kijk, hier ben ik brood voor die en die, of daar is die ander brood voor mij, op dat moment sta je er weer van buitenaf naar te kijken. ‘Ik ben het brood dat leven geeft’, zegt Jezus, en Elia vindt als hij wakker wordt een kan heerlijk verfrissend water en een vers knapperig brood. – Mogen wijzelf brood zijn voor elkaar.

Ekkehard Muth, 9 augustus 2015

Dit bericht is geplaatst in Nieuws, Overwegingen. Bookmark de permalink.

Geef een reactie